SRI LANKA ........ reisverslag 1983  

Dinsdag 28 Juni 1983 - Schiedam-Düsseldorf-Colombo

Om negen uur vertrekken we met de oude kever (1971) vol deuken richting Düsseldorf. Het is ondanks de lichte bewolking best lekker weer. Vlak voor de grensovergang 's Heerenberg nemen we voorlopig de laatste bak Hollandse koffie. Via binnenweggetjes proberen we de douane te ontwijken, wat wil je met zo'n wrak met 18 deuken, maar ko­men uiteindelijk toch bij een grenspost uit. Een man in ketelpak laat ons gelukkig zonder problemen de grens passeren. In Düsseldorf parkeer ik de auto op de 'lang­parkeer­plaats'. De spullen droppen we bij een bewaarplaats en nemen de bus naar de binnenstad. Van de gezellige Altstadt waar ik met Han een paar jaar terug oud en nieuw heb gevierd vind ik weinig meer terug. We doen onze laatste inkopen en maken een behoorlijke wandeling door de stad. Moeder heeft zelfs met haar wandelschoe­nen blaren opgelopen!

Terug bij de luchthaven klaren we om 19.20 in en na een weinig opwindend bezoek aan de duty-free shop stappen we een uur later in een speciale bus die ons naar de Tristar L1011-500 brengt. Om 20.50 stijgen we met bewol­king op en bereiken al snel een hoogte van 10 kilometer. De gezagvoerder vertelt de passagiers dat de snelheid 960 km/uur be­draagt, de temperatuur minus 51 ° C is en de geplande vliegtijd gepland is op 9 uur en 55 minuten. We vliegen via Frankfurt, München, Joegosla­vië, Bulgarije, Istanbul, Cyprus, Syrië, Iran, Saudi Arabië en Bahrein in één ruk door naar Colombo. Veel is daar niet van te zien door de duisternis die al om 21.30 invalt.

Woensdag 29 Juni Mount Lavinia

Na twee uurtjes slapen worden we al gewekt door een vroeg uit de veren zijnde stewar­dess die de eerste drankjes al weer komt brengen. Ik zet mijn klok 3½ uur verder zodat de nacht er meteen op zit. Buiten is het al licht, maar er valt door het dichte wolkendek weinig te zien. Na een wat ruwe landing komen we bij de vriendelijk lachende douane. We krijgen een mooi stempel in ons paspoort en leveren de gelddeclaratie formulie­ren in. Om illegaal geld wisselen te voorkomen moet je hierop precies opgeven hoeveel geld je bij je hebt. Als je het land verlaat moet je het formulier weer inleveren en bank­reçu's kunnen overleggen voor het bedrag dat je gewisseld hebt. Ik heb $200 achter gehouden en hoop dat ze me net zo van pas komen als in Tanzania, waar ik op de zwarte markt 7x zoveel kreeg als bij de bank.

We worden opgewacht door iemand van Meiers Weltreisen en met de bus rijden we naar ons hotel Ranveli in Mount Lavinia. Mount Lavinia is een stad vlak onder Colombo, zodat we eerst Colombo door moeten om er te komen. Onderweg is het een chaos. Auto's, fietsen, bussen en andere weggebruikers rijden kris-kras door elkaar over de overvolle weg. Bij iedere inhaalmanoeuvre wordt er luid enkele malen geclaxonneerd. Wat een herrie. De weg naar Colombo wordt ont­sierd door enorme reclameborden. Luxe grote huizen staan midden tussen de uit riet, wrakhout en golfplaat opgetrokken huizen. Vaak wordt de stenen muur van een groot huis door één of meerdere krotten als wand gebruikt. Het landschap is verder prachtig en bestaat voornamelijk uit rijst­velden, palmbomen en langs de weg ontelbare stalletjes. Een werk­olifant is bij een rivier enorme boomstammen aan het verplaatsen. Zijn slurf heeft door al dat werken een hele andere kleur gekregen. In Colombo wordt haast iedereen bij de diverse hotels gedropt. Tussen de bedrijven door wissel ik "even" geld. Na ontelbare handtekeningen kom ik in het bezit van mijn eerste roepies. Als we bij ons hotel aankomen blijken er nog maar twee anderen ook dit hotel te hebben geboekt. Het hotel ligt direct aan zee. Er ligt alleen wel een luidruchtige spoorbaan tussen. De Indische oceaan gaat wild te keer en het is onmogelijk er in te zwemmen. Het is regentijd aan de westkust. Bob neemt deson­danks een onvrijwillige duik na een onver­wacht hoge golf, terwijl Annemarie in één van de vele plakken teer trapt. Het weer valt gelukkig wel mee. Normaal is het deze tijd van het jaar veel koeler.

Nadat we de inwendige mens hebben versterkt gaan Bob en ik naar Colombo. We lopen eerst naar de weg om daar de bus te nemen. We komen meteen al in aanraking met de op toeristen ingestelde Singhale­zen. Eerst proberen ze ons een gigantisch dure rondreis aan te smeren, en vervolgens zijn mensen tot twee maal toe zo vriende­lijk ons voor "slechts" 100 roepies met de privéauto naar de stad te rijden. We nemen de af en aan rijdende minibus een stukje verderop voor maar 2 roepies. Het enige nadeel is dat je met 20 man in het op maar 10 mensen berekende busje zit gepropt. In het 13 km verderop gelegen probeert Bob zijn treinreis naar India te regelen, terwijl ik achter tickets naar Anuradhapura aan ga. Met een auto­rickshaw, een soort brommer met overdekte laadbak voor maximaal twee passagiers, scheuren we van links naar rechts zwenkend en luid toeterend naar het toeristenburo. Hier worden we niet veel wijzer en storten ons maar op één van de fruit­stalletjes. Bananen, mango's en een gele klitachtige vrucht laten we ons goed smaken. In de stad zie je af en toe bede­laars, vaak met kleine kinderen. Later horen we dat 99% van deze vrouwen professionele bedelaars zijn die georganiseerd bedelen. Ze hebben allemaal hun "eigen wijk", waar je als gewone bedelaar niet zonder kleerscheuren binnen komt.

Terug in Mount Lavinia ben ik precies op tijd voor de bespreking van iemand van het reisbureau. Ze raadt Bob af met de trein naar India te gaan aangezien er in het Noorden ongeregeldheden zijn en er pas een trein is overvallen. Bob vliegt nu over twee weken naar Madras. Ze vertelt verder alle wetenswaardig­heden over het eten, de fooien, het rondreizen etc. In een visres­taurant aan het strand eten we uit de kunst. Het is alleen wat weinig voor veel geld. 's Avonds babbelen we gezel­lig in de serre met andere hotelgasten. De meesten blijven hier twee tot drie weken. Na een heerlijke koele douche ga ik om 12 uur eindelijk slapen, als de hitte het tenminste toe laat.

Donderdag 30 Juni Mount Lavinia

Na een hete nacht worden we pas om 10 uur wakker. Na het ontbijt nemen we de minibus naar Colombo-fort, het centrum. We informeren bij het "Department of Wildlife" naar de bungalows die te huur moeten zijn in de diverse wildparken. Deze blijken helaas vanwege de droogte gesloten te zijn. Jammer. Bob gaat bij Air India zijn vlucht regelen. Met moeder en Annemarie loop ik wat door het gezellige centrum vol kleermakertjes, schoenverkopers en andere piepkleine winkeltjes. Ik moet nog steeds een kaart van Sri Lanka hebben en een meelopende "gids" weet wel waar die te krijgen is. Eerst worden we een juwelier binnen geloodst, maar nadat we geen interesse tonen en we weer buiten staan blijkt de ware reden van hun vriendelijkheid. Ze willen zwart geld wisselen. Bij een Indische stoffenhandelaar onderhandelen we over de koers, maar een kwart roepie (ca 3 cent) boven de officiële koers vind ik te laag om het risico te nemen dat zwart geld wisselen altijd met zich mee brengt te nemen. Hierna lopen we naar het station en nemen voor twee roepies, een kwartje, de trein terug naar Mt. Lavinia. Onderweg rijden we langs een vreselijke krottenwijk. De huizen zijn allemaal opgetrokken uit golfplaten en palmbladeren. In de trein is het niet erg druk, al moeten we de rit staande afleg­gen.

In Mt. Lavinia lopen we tegen een souvenirshop op met mooie grote maskers, houten olifanten en fantastische batiks. Na de rondreis kom ik hier vast terug om inkopen te doen. Terug in het hotel trekken Annemarie en ik de zwemspullen aan en nemen een duik in de Indische oceaan. Het water is wild, met hoge golven en verraderlijk terug­lopend water. Als Bob terug komt is het al donker. Hij heeft nog geen vliegticket en moet dit morgen alsnog regelen. Hij heeft wel alvast zijn vliegticket met 2 weken verlengd en moest daar DM 340,- voor betalen. Hij is vreselijk afgelegd. Een Hollands stel heeft voor dezelfde verlenging bij dezelfde maatschappij maar DM 40,- betaald. Wij gaan al vast naar Anuradhapura in het noor­den en spreken daar met hem af. 's Avonds eten we in ons eigen hotel. Nudeln (vermicelli) met groente. Na deze hap neem ik het eerste biertje in weken en pak vervolgens de spullen voor de rondreis die morgen begint.

Vrijdag 1 Juli Colombo naar Anuradhapura

Na een nacht waarin ik ben geofferd bij een muggeneetfestijn wordt ik doodmoe om half zes gewekt. Na een vluchtig ontbijt worden voor de eerste maal de rugzakken bevestigd en gaan we nadat we Bob gedag hebben gezegd op pad. We hopen hem vanavond in Anuradhapura weer te ontmoeten. We verlaten iets te laat (6.15 ipv 6.00) en moeten even later bij de hoofdweg naar Colombo vele overvolle bussen voorbij laten gaan. Het leven begint hier al erg vroeg. Als we eindelijk een plaats hebben veroverd is het al te laat om de trein van 7.05 te halen. De volgende gaat pas om 11.30, zodat ik meer een minibus charter. Deze vertrekt als alle plaatsen bezet zijn en kost Rs 35, ca fl 4,20. En dat voor 210 km! Om 8 uur is het zover. De bagage wordt bovenop gebonden en we beginnen aan de eerste etappe van onze rondreis. De rit voert ons langs allerlei grote, kleine, luxe, arme, bakstenen, golfplaten etc etc huisjes. Overal staat een dikke rij palmen en soms is er aan weerszijden van de weg niet meer dan een 5 meter diep 'bos' te zien. In de minibus zitten moeder, Annemarie en ik uit elkaar en kunnen ons enthousiasme van de schitterende tocht niet met elkaar delen. De medereizigers zijn vnl. Tamils. Onderweg komen we behalve enkele vogels geen dieren tegen.

Om 12.30, twee uur voor de geplande aankomsttijd, bereiken we Anuradhapura. Het noorden van Sri Lanka is erg droog en de eerste indrukken van de stad zijn dan ook stoffig. We worden direct benaderd door jongens van 'The Dew Drop' guesthouse. Het is vrij goedkoop en we gaan mee om een kijkje te nemen. Het ziet er goed uit en we nemen er een kamer op de voorwaarde dat ze Bob van de trein halen. Met Bob hebben we nl. bij een ander guesthouse afgesproken, aan de ander kant van de stad. 's Middags gaan we met z'n drieën met de overvolle bus naar Mihintale, de plaats waar Boeddha zijn geloof uitvond. Om bij het heiligdom te komen moeten eerst 1840 treden beklommen worden. We worden begeleid door drie alleraardigste jongetjes die veel over de tempel vertellen. Ze zijn blijkbaar gewend als gidsje van toeristen op te treden, want ze hebben van meerdere talen een beetje kaas gegeten. Tijdens de klim komen we apen tegen. Boven in de tempel zelf moeten de schoenen uit. Dit is geen pretje in deze hitte en we sprinten van schaduw naar schaduw. We klimmen tot het hoogste punt. Het is behoorlijk steil en het is een hele toer voor de twee vrouwtjes. De drie gidsjes helpen ze over hun hoogtevrees heen en even later staan trots als een pauw boven op de rots te genieten van het schitterende uitzicht. De dagoba's en 2000 jaar oude beelden zouden Bob erg aangesproken hebben. Weer beneden proberen de drie gidsjes met mooie, maar over­bekende verhalen over te volgen studies tot ingenieur (hij is pas 12 jaar oud !), zieke familie­leden etc, veel geld van ons los te krijgen. Ik zou het ook proberen. Lachend geven we ze een redelijke fooi voor de leerzame rondlei­ding.

Als we terug zijn in het guest­house is Bob net gearriveerd. Hij heeft de trein van 11.50 genomen en is door de jongens van ons guesthouse van het station gehaald. We eten een lekkere fruit­salade in ons guesthouse dat qua service veel beter is dan hotel Ranveli in Mt. Lavinia. We hebben voor morgen een taxi naar het Wilpattu wildreservaat gehuurd en moeten om 5 uur de deur al uit om er op tijd te zijn. Vermoeid van de drukke dag kruip ik onder mijn muskietennet tussen de in mijn kamer verblijvend boomkikkers, grote padden en hagedissen. Een ventilator zorgt voor heerlijke verkoeling.

Zaterdag 2 Juli Anuradhapura - Wilpattu reservaat

De man die ons moest wekken heeft zich net als ons verslapen zodat we om 5.15 worden gewekt door de gereedstaande taxi­chauffeur. De ochtend begint dus met een paniekstart, waar Bob niet zo op ingesteld is. Vijf minuten later zitten we in de taxi op weg naar het Wilpattu wildreservaat. Het is 35 km over slechte wegen naar de ingang van het park, waar om 6 uur de enige minibus vertrekt voor een rondleiding door het park. Bob is in de haast alles behalve zijn kleren vergeten en begint al snel weer vertrouwd te mopperen. Zonder bril zie je ook niet zo veel, maar hij mag mijn telelens lenen. De taxichauffeur was om 2 uur vannacht al voor de poort gearriveerd en heeft daar in zijn auto geslapen om maar niet te laat te komen. Onderweg laat hij ons een boek zien van een Zwitserse professor die met hem als chauffeur Sri Lanka is rond getrokken en daarover dit boek heeft geschre­ven. Bij het park aangekomen, 6.05 blijkt alle haast overbodig te zijn geweest. De minibus vertrekt tegenwoordig pas om 6.30, zodat we een half uur de tijd hebben om op adem te komen. We hebben in de haast niets eetbaars mee genomen en onze magen beginnen al aardig te rammelen. Bob bied ons een rennie aan. Hij gebruikt ze in Griekenland als hongerstiller, maar ik zie daar niet zoveel heil in. Gelukkig is het entreegeld inclusief minibus maar Rs 150 ipv de geplan­de 250. Als we alle roepies bij elkaar leggen kunnen we net met z'n vieren mee. In het park is door de dichte begroeiing weinig te zien. Alleen op door olifanten plat gewalste stukken en bij poeltjes is er wat uitzicht. Het is goed te zien dat het nu de droge tijd is. Alles is even dor. Bij een eerste poeltje zien we grote blauwe en kleine witte reigers, ibissen, ooievaars en verschillende kleinere vogels. Annemarie vindt het maar niets. Vogels heb je in Nederland toch ook! Wat verderop zien we een grote verscheidenheid aan herten. Van kleine minihertjes tot grote damhertachtigen. Vooralsnog is er geen groot wild te zien, maar even later is het raak: vijf jakhal­zen, een slingeraap en een enorme buffel. Bij een meertje gaan we de auto uit. Vlak voor ons zoekt een varaan rustig naar voedsel, terwijl een krokodil in looppas het veilige water opzoekt.

In Wilpattu zijn drie dieren het meest interessant voor de bezoekers. Oplopend in percentage 'ziekans' zijn dat de olifant, krokodil en de niet vaak waargenomen luipaard. De krokodil is dus al binnen. Als we verder rijden lijkt de rondtocht langzaam dood te bloeden door de kilometers lange weg door de dichte jungle met af en toe een leeg open plekje. We zien naast een schit­terende neushoornvogel, wat wratten­zwijnen, pauwen en zowaar enkele wilde kippen niet veel meer. Als we bijna terug zijn is er plotseling rumoer in de ingedom­melde bus. In de verte is een luipaard waar­genomen. Eer ik mijn toestel heb ingesteld is hij al in de dichte bebossing verdwenen. Een stukje verderop loopt er weer een luipaard op de weg. Dit schitterende dier kunnen we wat dichter benaderen eer het beschutting zoekt in het kreupelhout. We doen nog wat vergeefse zoekacties naar olifanten eer we na 3½ het park verlaten. Gezien de grote hoeveelheid keutels heb ik het vermoeden dat de olifanten ons massaal vanuit de struiken hebben staan uitlachen. Volgens de gids hebben we veel geluk gehad. Normaal laten luipaarden en krokodillen zich niet zien en de meeste mensen komen dan ook terug zonder één van de drie hoofdattracties te hebben gezien. Bij deze extreme droogte is het helemaal opmerkelijk dat wij ze wel gezien hebben.

Nadat de chauffeur ons bij ons guesthouse heeft afgezet gaan we eerst wat slaap inhalen, overigens pas nadat we zelf ons eten hebben verzorgd. Hollandse thee (uit Sri Lanka!) met een Hollands snoepje. Als we om 16 uur wakker worden moet er eerst geld gewisseld worden. Dit moet op een privéadres gebeuren aangezien de banken 's zaterdags dicht zijn. We lopen richting centrum en komen via gezellige winkel­tjes en fruitstalletjes, waar we telkens wat nemen, bij het in het handboek aangegeven adres. Daar wissel ik tegen een slechte koers $60,- en heb een koersverlies van wel ¦ 22,-.

De mensen hebben hier het hart hoger zitten dat in Colombo. De bedelende handjes zijn hier zwaaiende handjes en als ze je hier helpen is het oprecht om te helpen en niet om geld aan je te ver­dienen. Een jongetje loopt een stuk met ons op en schenk ons een stukje zeep met Boeddha afbeelding. We zijn ver­eerd en beloven hem een kaartje uit Nederland te sturen. Na het man­diën nemen we een gigantische fruitmand, die we maar net naar binnen kunnen werken. Nadat we nog wat extra geld wisselen in het guesthouse pakken we de spullen bij elkaar. Morgen gaan we na een rondrit door de oude ruïnestad van Anuradhapura door naar Dambulla. Iemand wil ons een taxi aansmeren om ons naar de belangrijkste bezienswaardigheden van dit gebied te leiden. Hij doet erg moeilijk over de mogelijk­heden van het openbaar vervoer, maar als we geen interesse tonen en vast­besloten zijn alles met de bus te doen krijgen we de exacte bustijden van hem.

Zondag 3 Juli Anuradhapura en Dambulla

Om 6.45 zit iedereen met een ochtendhumeurtje aan de geroos­terde boterhammen met ei. Met Asoka, die ons gisteren ook naar Wilpattu heeft gebracht, rijden we naar de oude ruïnestad van Anuradhapu­ra. De eerste stop is bij de Isurumuniya rotstempel. Nadat we onze schoenen uit hebben getrokken betreden we de tempel. Er staan vele kleurrijke Boeddhabeelden en op de muur is in felle, haast kitsch aandoende kleuren een religieus beeldverhaal te zien. In een spelonk wemelt het van de vleer­muizen, terwijl ook een grijs eekhoorntje zijn neus laat zien. Na een klimmetje zie je vanaf een rotsblok twee meertjes achter de tempel die als watertank voor de stad dienst doen. Vervolgens rijden we naar de oude heilige Bo-boom. Een gelovi­ge legt ons veel uit. Boeddha bedacht zijn leer onder een Bo-boom. Van deze boom zijn allerlei stekjes genomen en één van deze stekjes staat hier.Er hangen allerlei gekleurde lapjes in deze volgens zeggen oudste boom ter wereld (ca. 2200 jaar oud). Alle kleuren hebben een betekenis en dienen als dank­baarheid voor een vervulde of nog te vervullen wens. De kleur oranje, waar je alle monniken ook in ziet lopen, betekent bv discipline. De halve maansteen bevat de levensleer van de Boeddhisten. Het is te vergelijken met de tien geboden. Boeddha zie je afgebeeld in verschillende standen: medite­rend, filiso­ferend, zittend of liggend met een lotusbloem in de hand. Als hij filosoferend is afgebeeld steekt hij zeven vingers omhoog. Dit zijn de zeven wijs­heden. Liggend met de heilige lotusbloem betekend de eeuwige rust die hij gevonden heeft in het Nirwana, het summum voor iedere Boeddhist. Na deze korte rondleiding komen we bij de grote Jatavanarama dagoba. Een oude man begeleidt ons een beetje en vertelt dat bovenin de spierwitte dagoba een enorme diamant zit die ge­schonken is door de koning van Burma. Talrijke stenen olifan­ten bewaken het complex. Via allerlei ruïnes en kleinere dagoba's rijden we naar Moonstone, een maansteen in het groot. Onderweg zien we heilige koeien en ook apen op het gemak door de stad struinen. De chauffeur wordt ongeduldig en begint steeds irritant te toeteren als we naar zijn mening wat te lang in een tempel zijn. We hebben er lak aan, maar het werkt toch een beetje op je zenuwen. Na drie uur hebben we het gezien en is het ook te warm om lekker rond te kijken zodat we terug gaan naar het guesthouse.

Als het wat koeler wordt gaan we met Bob nog een keer naar Mihintale. Weer 1840 treden, maar het uitzicht en het koele windje boven vergoedt veel. Het is ook voor de eilandbewoners zondag en er zijn dan ook veel dagjesmen­sen. Tot twee maal toe moeten we met een groep jonge meiden op de foto. Wie is er nu eigenlijk de toe­rist?! Als we weer beneden zijn nemen we de bus naar Dambulla. De rit duurt bijna twee uur en voert ons weer wat zuidwaarts langs rijst­velden vol schitte­rende rijstvogels. Ik heb last van mijn zitvlees en ben blij als ik uit mag stappen. We hebben met dit kleine ongemak wel 464 roepies verdiend. De taxi vroeg 500 Rs, terwijl we nu 9 Rs de man kwijt zijn. Als we uitstappen worden we belaagd door horden jongens, die een slaapplaats in de aanbieding hebben. De prijzen dalen door de enorme concurren­tie van Rs 70 naar Rs 15 voor een tweepersoons kamer. Na het bezichtigen van enkele slaapgelegenhe­den besluiten we de minst primitieve te nemen. Een slot op de deur in plaats van een enkel gordijn is wel het minste wat we eisen, terwijl je een douche en ventilator ook niet kan laten voor Rs 40 ( ¦ 2,50) per persoon. We logeren bij een heel aardige familie. Er wordt direct thee gezet en gezellig gekletst. Vader, moeder (33), zonen (19 en 16) en dochter (12) zijn betrekkelijk arm en leven erg primitief. We hebben de beste kamers gekregen. Later blijkt dat ze normaal in het nu aan ons verhuurde gedeelte leven en zich nu hebben terug getrokken in een golfplaten krot achter het huis waar normaal alleen de kinderen slapen. Anne­marie en moeder hebben wel enige moeite met ons primi­tieve onderkomen, maar slaan zich er moedig doorheen. Zeker als ze zien waar onze gastgevers nu moeten slapen. We voelen ons wel een beetje schuldig, maar dit is nu eenmaal de enige manier voor ze om een centje bij te verdienen. We geven morgen wel wat extra's. De service is erg goed en Annemarie kan het meteen goed vinden met het leuke dochtertje.

Aan het eind van de middag gaan we de grottempel bezichtigen. Het is weer klimmen geblazen, maar het uitzicht vergoed veel, zo niet alles. De befaamde rots van Sigariya is in de verte al te zien. De tempel zit vol met brutale apen. De vrouwtjes zijn dragen haast allemaal een jong op de buik. Als we op een muurtje even uitrusten gaat er één rustig tussen ons in zitten. In de uit de rotsen gehouwen tempel staan tussen de in verval zijnde fresco's vele Boeddhabeelden. De één ligt nog prachtiger dan de ander. Je zou die luilak zo een trap onder zijn kont geven en aan het werk zetten. Het is pikkedonker in de grot en op de ansichtkaarten zien we pas welke schitterende kleuren de beelden hebben. 's Avonds maakt onze gast­vrouw voor Bob en mij een bord rijst, terwijl de twee vrouwtjes zelf een bord mushli klaar maken. We geven de mensen van het huis ook wat mushli, maar hoewel ze zeggen het lekker te vinden zegt de blik in hun ogen meer dan genoeg. Na het eten maken we een wandeling door het nu koele dorp. De winkeltjes zijn verlicht met olielam­pen. Een voorbij rijdende ossekar geeft de Oosterse sfeer een extra dimensie. Onder een lantaarnpaal cirkelt een vleermuis op jacht naar insekten. Ik word uitgenodigd door een soort groente­boertje, die zijn waren in een twee bij 4 meter klein hokje heeft uitgestald. Hier slaapt hij ook. Om de zes maanden wisselen zijn broer en hij van plaats. Hij verdient maar Rs 150 ( fl 18,-) per maand. Voor dit luttele bedrag zit hij hier ver van zijn dorp een half jaar opgesloten. Hij is boven­dien moslim en die worden hier behoorlijk gediscrimineerd. Na de gebruike­lijke praatjes over Holland en Sri Lanka ga ik naar bed. De beloofde ven is er niet. Niemand wilde hem waarschijn­lijk uitlenen aan onze familie. Het is dus bloedheet vannacht en na urenlang draaien val ik eindelijk in slaap.

Maandag 4 Juli Sigiriya

Ondanks het muskietennet ben ik vannacht lek geprikt. Vanwege de levensgevaarlijke kapzeisbe­wegingen van Bob heb ik vannacht tegen het muskietennet aan gelegen, waarna die rotbeesten me door het net heen hebben geprikt. Alleen mijn hoofd bevat al vijf dikke bulten. Als we afrekenen blijkt er flink met de rekening geklooid te zijn. Voor het eten rekenen ze Rs 37 ipv Rs 25.5, voor het ontbijt Rs 20 ipv 15 en ze verzinnen boven­dien 10% servicekosten. Al met al Rs 70 te veel, maar omdat de service goed tot zeer goed was laten we het maar zo. De spul­len laten we in een kamer achter en nemen de minibus naar Sigiriya. Het is 10.45 als we er aanko­men en dus alweer snik­heet. De aanloop tot de werkelijke beklimming van de rots gaat over de funderingen van de oude vesting. Boven op de rots was het belang­rijkst gedeelte van het fort. Als we daar heen willen klimmen raakt Annemarie in paniek. Ze heeft hoogtevrees en is bang voor de lood­rechte klim. Na enig pressen gaat ze toch mee omhoog over de zwaar beveiligde trap. Halverwege de rots bevinden zich de wereld­beroemde fresco's uit de 5e eeuw. Bob en ik doen het laatste stuk vanaf de twee grote leeuwe­voeten. We moeten omhoog met behulp van een gammele trap waarvan de leuningen net niet naar beneden vallen. Op het afgeplatte stuk van de rots heeft vroeger een hele gemeenschap 18 jaar op de vijand gewacht. Toen die uiteinde­lijk verscheen bleek de rots toch niet zo veilig te zijn als ze dachten en pleegde de hoofdman zelfmoord door van de rots te spring­en. Alleen de funde­ringen liggen er nog, waaronder de watertank die als voorraad moest dienen bij langdurige belegering. Aan de voet van de imposante rots staan veel stalletjes met prach­tige houtsnijwer­ken. Er worden alleen woekerprijzen gevraagd. De aanvangsprijs voor een houten olifant bedraagt Rs 1200. Na onderhandelen zakt de prijs naar Rs 80, 15 maal zo weinig. Dit overvragen begint op pure oplichting te lijken, maar zouden wij het aan de andere kant ook niet gedaan hebben omdat je weet dat er toeristen zijn die klakkeloos betalen wat je vraagt ?

Terug in Dambulla wil de huiseigenaar nu hij zijn geld heeft ons zo snel mogelijk lozen. Met het smoesje dat de bus elk kwartier rijdt en we snel weg moeten omdat de bus naar Polonnaruwa er wel drie uur over doet haasten we ons naar de bushalte. In de werkelijkheid gaat er een bus om de twee uur en duurt de rit nog geen uur. Na ruim een uur wachten in de stank van een open riool nemen we een stukje de bus terug richting Anuradhapura en stappen uit op een punt waar we meer kans hebben op een bus naar Polonnaruwa. Na 20 minuten is het zover en kunnen we ons in een overvolle minibus proppen. De rugzakken worden op de imperiaal gedeponeerd. Ze worden vastge­bonden en we vrezen het ergste tijdens deze hobbelige rit vol scherpe bochten. Ik hang het eerste stuk half uit de auto zodat ik het een beetje in de gaten kan houden, maar als er een paar mensen uitstappen ga ik ook maar zitten. De rit duurt een uur. Onderweg komen we een olifant tegen. Het wordt tijd, ik verwachtte op elke hoek een olifant maar dit is pas de tweede die we op het eiland zien.

De buschauffeur probeert ons een hotel in Polonnaruwa opdringen. Hij loopt jammer genoeg zijn commissie mis als wij ons toch laten afzetten in het plaatsje Giritale, even buiten Polonnaruwa, toevallig precies op de plaats waar ons vooraf uitgekozen guesthouse staat. We blijken de enige gasten te zijn. Alleen een groep Fransen heeft voor de avond een aantal kamers geboekt. Ze schijnen echter pech te hebben zodat we wel alleen zullen blijven in dit redelijk luxe onderkomen. Het is een lekker rustig plaatsje in de buurt van een grote watertank (opslag van drinkwa­ter). In de kanaaltjes naar dit grote meer kun je zwemmen. De watertank zelf is gevaarlijk door de aanwezigheid van krokodillen. Als ik zeg geen gevaar te vrezen omdat mijn ervaring is dat krokodillen banger van ons zijn dan wij voor hen vertelt de pensionhouder dat er jaarlijks mensen die water halen uit het meer gegrepen worden door een krokodil. Dat staat niet in het handboek! Tijdens het diner vliegt er een wandelende tak met een jong op zijn rug door de eetzaal. Buiten jaagt een vleermuis bij de verlichting op insekten, terwijl hagedissen de muren en plafonds insektenvrij houden. Met Bob waag ik me aan een glaasje arak. Dit is een op cognac lijkende kokosno­ten likeur en een specialiteit van het eiland. Als we naar bed gaan sprenkelt het personeel petroleum op de vloer om de muskieten te verdrijven. Het zal wel goedkoper zijn dan de aanschaf van muskieten­netten.

Dinsdag 5 Juli Giritale

Als ik met Bob om 8 uur een verkenningstocht maak langs de irrigatie­kanalen en de watertank is het al zo heet dat we al snel de koelte van het hotel opzoeken. Bob gaat naar Polonna­ruwa om daar de vele ruïnes te bezoeken, terwijl wij een rustdag nemen. Op het heetst van de dag, 12 uur, loop ik met moeder een rondje door de omgeving. Er is gelukkig een heerlijk koel windje opgekomen. Tijdens onze wandeling zien we de prachtigste vogels waaronder een soort paradijsvogel. Het was een kleurige vogel met een hele lange staart. Bij de watertank komen we een jongetje tegen, die ons in zijn vissersboot rond het meer wilt varen. We lopen met hem mee in de richting van zijn boot. Het is maar twee minuten lopen zegt hij. Vanaf de vijfde tot en met de vijftiende lag zijn boot steeds om de hoek, maar daar aangekomen was het nog één hoek. Haast bevan­gen door de warmte hebben we na een kwartier genoeg van dit spelletje en besluiten terug te gaan. Net op dat moment komt er een andere visser uit zijn rieten hut en vraagt of we niet even binnen willen komen. Dat doen we graag, al was het alleen maar om even uit de brandende zon te wezen. De visser leeft met zijn vrouw, ca. 4 kinderen, aapje en oude vader op een oppervlak van nog niet eens onze huiskamer. De hut ligt enigszins verscholen tussen de bomen. Tussen de bamboe palen waar de hut op steunt zijn gevlochten palmbladeren aangebracht en dienen als muurtje. Binnen is er een kleine keuken, een zeil om op te slapen en een bank. Achter het huis liggen in twee emmers de vanochtend gevangen vis. De zeer bespraakte en betrekkelijk jonge opa biedt ons een hete currie­maaltijd op visbasis aan. Ik moet helaas vriendelijk doch beslist weigeren omdat onze westerse magen niet ingesteld zijn op een ontzet­tend hete currie. Bovendien ziet het er allesbehalve hygi­nisch uit. Het gezin bezit een fiberboot. Deze kostte 6000 roepies waarvan de regering in het kader van een visserijpro­jekt er 5400 voor zijn rekening heeft genomen. De staat zelfs de vis uit in de watertank, die door de vissers er dan weer uit gehaald moet worden. We besluiten weer naar het hotel terug te gaan en vanmiddag als het niet meer zo warm is en Bob er ook weer bij is terug te komen voor een boottochtje met deze mensen.

Bob is om drie uur terug en heeft veel gezien in Polonnaruwa. Veel meer dan in Anuradhapura. Om vier uur gaan we weer terug naar de vissers. Nadat ook Bob en Annemarie de binnenkant van de hut hebben gezien gaan we naar de boot. Schijtlijster Annemarie durft weer niet in de boot zodat ook moeder aan de kant moet blijven. Na een wel erg kort rondje over het meer zijn we weer terug. Het enige hoogtepunt is een hoog boven ons vliegende visarend met zijn karakteristieke witte kop. Helaas ontaardt het aanvankelijk spontane gebeuren weer in een bietspartij. Al dat gevraag komt me toch wel de keel uitzetten. Alles, maar dan ook alles schijnt hier op het eiland om geld te draaien. We maken na de vissers vriendelijk hebben bedankt nog een wandeling langs het meer. De bewolking heeft voor een flinke afkoeling gezorgd. Terwijl we langs het meer onze weg zoeken tussen de buffels en volièrevogels cirke­len meerder visarenden boven ons hoofd. Al snel hebben we contact met een oudere dame en haar man. Zij heeft een opval­lend vriendelijk en goedlachs gezicht. Ze willen net water tappen in een aarden pot. Hij neemt ook even een bad. Dit is vrij gevaarlijk aangezien deze uithoek de verblijfplaats is van bloeddorstige krokodillen die al menig slachtoffer hebben geëist. Er komt nu ook een klein vrouwtje naar ons toe die ons uitnodigt bij haar thuis. Deze dertigjarige vrouw heeft een beter huis dan de vissers. Het is een lemen hut en dat is hier een grote luxe. Haar man is nog aan het werk. Ze hebben maar één kind (6 jr) en zijn voorlopig niet van plan er meer te nemen. Als ze meer kinderen nemen doet ze die tekort omdat ze geen geld hebben die behoorlijk te voeden en te kleden. Zij komt zelf uit een gezin van 13 kinderen en wil de armoede die ze daardoor geleden heeft haar kinderen niet aandoen. Wat een revolutionaire ideeën voor een land als Sri Lanka! Ze verdient er wat bij met het klossen van kant. We kopen een meter en lopen tegens donker langs het meer weer terug. Onderweg aan­schouwen we een schitterende zonsondergang. 's Avonds hebben ze in het hotel bij het diner iets speciaals voor ons in petto. Als we aan het dessert toe zijn gaan alle ramen dicht, deuren op slot en de ventilator uit. Nadat ook alle lampen gedoofd zijn wordt er een pannekoek gedrenkt in arak brandend opgediend. Helaas is het vlammetje al uit eer de ober bij ons aan tafel is. Ze sloven zich wel uit voor hun enige gasten. Bob zal de rest van de vakantie zonder zijn bril moeten stel­len. Deze heeft hij net in duizend stukjes laten vallen.

Woensdag 6 Juli Kalkudah

Ik wil de bus van 5.30 hebben, maar als de wekker om 4.30 af loopt is het nog pikkedonker zodat deze jongen nog lekker een uurtje blijft liggen. Nadat ik Bob met een nep insektenbeet wakker heb gemaakt nemen we een zelfgemaakte mushli maaltijd tot ons en gaan richting Kalkudah aan de Oostkust. De reis gaat in twee etappes. Eerst naar Polonnaruwa met de minibus. Hier blijken er maar drie bussen per dag naar Kalkudah te gaan. Bij navraag blijkt er binnen een uur een trein naar Kalkudah te gaan en die nemen we dus maar. De trein blijkt een superboemeltje te zijn die op elk station, hoe klein ook, wel tien minuten wacht. Bij elke stop is het een drukte van jewel­ste. Han­delaartjes in olienoten, kokosnoten, fruit en andere eetwaar klimmen in of uit de trein en maken een hels kabaal. Sri Lanka is ook het land van de pauwen. Onderweg zien we er vijf vliegen en dat is een schitte­rend gezicht. In de trein zitten ook twee Fransen waarmee we even vluchtig contact hebben. Het is opvallend dat de weinige blanken die je onder­weg tegen komt behalve soms een vluchtig hallo elkaar meestal compleet negeren. In Tanzania werden er altijd wel ervaringen uitgewisseld of tenminste een praatje gemaakt.

Kalkudah blijkt twee stations te hebben. We stappen bij de eerste uit en dat blijkt gezien de kale bedoeling zonder bushaltes de verkeerde te zijn. We ploeteren door een stuk zand en komen bij een verlaten drukke weg uit. Gelukkig komt er net een minibus aan die ook nog de goede kant op gaat. Mazzel dus. Met ons stapt er ook een vent in die ook uit de trein is gestapt. We willen bij 'Safari cottages' uitgezet worden. Volgens het handboek een goedkoop guesthouse met zwembad en gelegen aan het mooi­ste stuk strand. Nadat in de hoofdstraat, die nauwelijks deze naam mag dragen, alle passagiers zijn uitgestapt behalve die man uit de trein rijdt de minibus ons naar het duurste stuk strand van Kalkudah-Passekudah. Hiermee ga ik niet akkoord en vraag de chauffeur ons te brengen naar de gewenste plaats. Ons 'Safari cottages' zeggen ze wel te kennen, maar we zullen er nooit aankomen. We worden afgezet nu bij 'Fishing village'. De aanwezigheid van de opdringerige man uit de trein wordt me nu ook duidelijk. Hij denkt wat aan ons te kunnen verdienen door ons af te zetten bij een hotel of guesthouse waarvan hij een bepaald bedrag aan commissie vangt. We voelen ons een beetje belazerd en dingen extra af op de kamerprijs en eisen twee ventila­toren, die we nog krijgen ook. Achteraf blijken het de enigen van het hotel te zijn! Ook de minibus ziet in ons een aardig handeltje. Ze vragen maar liefs 100 roepies voor de rit van 5 minuten terwijl de mensen die even tevoren in het dorp waren uitgestapt er maar 2 hoefden te betalen. Voor dat geld kun je het hele eiland rond! Aangezien ze wat extra voor ons hebben gereden geef ik ze in een vlaag van opperste goedheid een biljet van 50 roepies. Dit vinden ze niet genoeg en beginnen vervelend te worden. Bob gaat zich er nu ook mee bemoeien. Hij vindt 20 roepies meer dan genoeg, zeker na deze wanvertoning. Met een handige beweging grist hij het 50 roe­pies biljet uit hun handen en geeft ze er een 20 roepies biljet voor terug. Hij zegt "20 roepies of helemaal niets!". Ze accepteren het niet, zodat Bob ook het 20 roepies biljet terug pakt en wij zonder betalen de kamers gaan inspecteren. Nadat we deze hebben goedgekeurd en ons willen inschrijven staan ze er nog steeds. De prijs is in middels gezakt van 100 naar 30 roepies. Als we dreigen het nummer te noteren en naar de politie te gaan bemoeit de guesthouse eigenaar zich met het gedoe. Hij is het met ons eens en zegt niet meer dan 10 roe­pies te betalen. Dit doen we en na een laatste "Go NOWWW" van Bob pakken ze hun biezen. De drie mannen hebben behoorlijk ruzie met elkaar. De meeloper, die wat aan ons dacht te ver­dienen, had eerst 50 roepies afgeslagen (oftewel een dag werken) en dat vonden de anderen niet leuk. Met genoegen zien we dat hij nu voor zijn eigen kaartje moet betalen.

Het guesthouse is net heropend. De tyfoon van vijf jaar terug heeft hier aardig huisgehouden. We blijken de laatste kamers te hebben. Mensen na ons hadden zelfs geen kamer meer kunnen krijgen in de duurdere hotels. Ze gaan maar terug naar Polon­naruwa op slapen vannacht op het strand. Later horen we dat door de onlusten in het Noordelijker gelegen Trincomalee de toeristen massaal naar het veilige zuiden trekken. Bovendien is het aan de Oostkust hoogseizoen. De kamers zijn net opgele­verd. De cement­bakken moeten nog vervangen worden door bedden en het toilet is nog nat van de verf.

Nadat we ons hebben geïnstalleerd nemen we eerst een duik in het warme en erg zoute water van de Indische oceaan. Zelf moeder, die normaal bang is van water, heeft het buitengewoon naar haar zin. Het eten hier in 'Fishing Village' is uitstekend. Een minpunt­je is dat de manager elke hap naar binnen kijkt en na elke adempauze vraagt of we nog wat willen bestellen. Alhoewel de zee vrij rustig oogt staat er een verraderlijke onderstroming waarin de plastic schoenen van Bob en mij verdwijnen. Als we 's avonds in bed liggen horen we buiten eerst een enorm geblaf. Hierop volgt een nog luider gesis. Even later ging het geblaf over in gejank. De andere dag horen we dat waar­schijn­lijk een cobra een hond te grazen heeft genomen.

Donderdag 7 Juli Kalkudah

We zijn vroeg uit de veren (5.30) om de zon op te zien komen en de vissers binnen te zien komen. De zon is om 6.00 precies op tijd, maar de vissers laten nog een uurtje op zich wachten. Het zijn slechts 4 boten en de vangst is bedroevend. Één visser heeft vannacht slechts 3 visjes weten te verschalken. Een hard bestaan. De vis wordt op de grond uitgestald en aan opkopers verkocht.

Na het ontbijt huren we twee duikbrillen en lopen naar een 'koraalrif'. De bril van Bob is lek en aangezien ik zonder lenzen toch geen moer zie gaat Bob met mijn duikbril alleen naar het rif. Bij terugkomst zegt hij alles gezien te hebben wat de Calypso op film heeft gezet.

Ondertussen heeft moeder een leuk avontuur beleefd. Als ze op het strand zit komt er een man langs die op een fluit speelt. Leuk fluitje, denkt ze, zo een wil ik er wel kopen. Ze vind het alleen niet zo'n mooi fluitje en grijpt in de mand die de man bij zich heeft om een mooier exemplaar uit te zoeken. Tot haar grote schrik blijkt er een cobra in de mand te zitten. De man verkocht geen fluitjes, maar is slangenbezweerder!

's Middags gaan Bob en ik de onderwaterplekjes bekijken die hem 's ochtends in vervoering hebben gebracht. Beiden op één waterschoen lopen we over de gemene stekels naar het strand aan de andere kant van de baai. Ik heb pech. Het is eb en er is niets meer dan scherp dood koraal in ondiep en onrustig water. We worden een paar keer door de golven weggespoeld en halen ons lelijk open. Tegen donker zijn we terug bij het guesthouse. Ook hier snorkelen we nog even. In het donker kan ik nog net wat vissen onderscheiden. Op de terugweg verliest Bob ook nog zijn tweede schoen.

's Avonds hebben we een barbecue besteld in het kleine vis­sersdorp vlak bij het guesthouse. Een vis van 2½ kilo wordt heerlijk klaar gemaakt en bij kaarslicht in de open lucht naar binnen gewerkt. We zijn de enige toeristen in dit godverlaten oord. Onze ober moet om 23 uur de zee op om een nachtje te vissen. Ze zijn hier nog helemaal verrukt van de Nederlandse hulp na de allesverwoestende tyfoon van 1978. Keer op keer roemt hij zijn 'vrienden' uit Nijmegen die hier drie maanden lang hulp hebben geboden. Alle palmbomen waren in zee gewaaid en waren door de Nederlanders weer opgevist en geplant.

Vrijdag 8 Juli Van Kalkudah naar Amparai/Inginiyagala

Vroeg uit de veren en pakken maar weer. Bob gaat eerst geld wisselen om de geleende ¦ 100,- terug te geven voor hij ons morgen verlaat. ij huurt een fiets, maar eer hij 100 meter heeft afgelegd is zijn ketting er al drie maal afgelopen. Hij neemt dus maar de bus. Om 11 uur is hij pas terug. We pakken de rugzakken en gaan weer op pad. Bob laat zich door een minibus afzetten bij de trein naar Kandy. Hij gaat zo terug naar Colombo, waar hij het vliegtuig neemt naar India.

Wij vervolgen om 12:30 onze reis naar Gal Oya National Park. Eerst met de stadsbus naar Batticaloa. Het is een vreselijk aftandse CTB bus. De losse onderdelen rammelen zo vreselijk, dat je elkaar niet kan verstaan. Door de houten vloer zie je de wielen draaien. In Batticaloa stappen we over in een minder rotte, maar wel stampvolle bus in de richting van Amparai. De weg langs de oostkust is prachtig. De bus heeft koelwater problemen en de chauffeur moet dan ook diverse malen stoppen om de radiateur bij te vullen. Als we afslaan naar onze bestemming Amparai verlaten we de baaien en stranden van de kust en rijden in twee uur via eindeloze rijstvelden de stad. We zijn hier duidelijk buiten de touristenroute. Geen jonge­tjes die ons aanspreken om een slaapplaats aan te bieden. Vanuit Amparai willen we verder naar Inginiyagala. We hebben geluk. De open veewagen gaat net weg. In een half uur leggen we opeenge­pakt, maar wel heel gezellig, de laatste 15 kilome­ter van de dag af. De rit gaat onder andere langs een kanaal, waarin ontelbare mensen zich staan te wassen.

We doen lux en slapen in de Inginiyagala Safari Inn. Gelukkig kunnen we in een driepersoonskamer terecht. Annemarie en ik zitten onder de galbulten, die vreselijk jeuken. Een overheerlijk bak Hollandse thee en een duik in het ligbad doet echter wonderen. We zijn de vermoeiende dag meteen vergeten.

Na het avondeten, bestaande uit een grote zeevis, salade en patat, spelen we een potje badminton. Ik wordt door iemand uit Colombo uitgedaagd. Ik loop me helemaal in het zweet, maar wordt toch door hem de baan af geveegd. Als we in de kamer op een onbekend knopje drukken, wordt er even later op de deur geklopt door een bediende. Dat weten we dan ook weer. Na een tweede ligbad blijven we nog even gezel­lig praten in de bloemenrijke tuin en gaan al om 10 uur naar bed. Morgen staat er veel op het programma. De Veddah's en een boottocht over het meer.

Zaterdag 9 juli De Veddah's en Gal Oya

Na een hete, door de galbulten jeukerige nacht worden we om 6 uur gewekt. We hebben een landrover gehuurd, die ons naar de oorspronkelijke bewoners, de Veddah's, zal brengen. Na het ontbijt gaan we om 7 uur meteen op stap. Het is een barre tocht. Moeder gaat dan ook voorin zitten om de schokken op te vangen. De schuwe Veddah's werden zo'n 2000 jaar geleden door de uit Noord-India afkomstige Singhalezen verdreven naar dit onher­bergzame gebied. Tot 20 jaar terug leefden ze hier in de jungle in door de natuur geheel gecamoufleerde rotssteden. Als ze mensen zagen vluchtten ze weg en konden zo heel lang hun cultuur in stand houden. Nadat de Engelse dokter Pittle twee jaar bij deze mensen had doorgebracht wist hij in samenwerking met de overheid de Veddah's over te halen de rotsholen te verlaten en zich in een dorp te vestigen. Zo te zien zaten ze daar echt op te wachten.

Na een voettocht van één uur dwars door de jungle bereiken we het dorp. We hebben op advies van onze chauffeur brood, voe­dingrijke bladeren en pruimtabak voor ze meegenomen. Hoofdman Handuna begroet ons met twee handen. Hij is 85 jaar en was ook de hoofdman in de tijd dat ze nog in de rotsen woonden. Onderweg brengen we een kort bezoek aan de Ratgale Rock, de voormalige grotwoning van Handuna. Hij en nog wat ouderen zijn de laatste Veddah's die nog traditioneel leven. De jeugd is door contacten buiten de stam al aardig aan het verweste­ren. De verwachting is dat na het overlijden van Handuna de jonge­ren zich in de stad zullen vestigen en zich zullen ver­mengen met andere rassen.

De Veddah's lichten in het kort een tipje van de sluier voor wat betreft hun leefgewoon­ten. Ze tonen in de jungle groeiende geneeskundige kruiden en diverse fruitbomen, zoals de mango-, zuurzak-, bananen en sinaasappelboom. Veddah's eten voorname­lijk maïs, dat hier dan ook massaal verbouwd wordt. Door de opdringen­de beschaving is in dit gebied weinig wild meer te vinden. Desondanks zijn Veddah's goede jagers. Hoofdman Hand­una toont dit door twee pijlen op dezelfde plaats in een boom te schieten. Ook tonen ze hoe er binnen enkele seconden vuur gemaakt kan worden met een vuursteentje. De ouderen kijken erg somber. Ze lijken helemaal uitgeblust en zich bewust van de ondergang van hun volk.

Nadat we afscheid hebben genomen worden we weer door de kinde­ren bij de hand genomen en lopen terug naar de landrover. Bij de auto maakt een Veddah muziek met een primitief snaarinstru­ment. Het is een kokosnoot, bespannen met een apehuid en snaren van boomvezels. Het instrument bespeelt hij met een strijkstok, welke bespannen is met de haren van een dier. Er komt zowaar nog muziek uit ook. Als we weg rijden worden we door de hele meute uitgezwaaid. Blanken zie je tenslotte niet elke dag. Een indrukwekkende, maar tegelijkertijd trieste ochtend.

Als we terug rijden zien we opvallend veel fietsen. Een uit­komst in dit afgelegen gebied. Opvallend zijn ook de vele vlinders. Er wordt hier veel vee gehouden. Het is dan ook geen wonder dat hier veel luipaarden leven, die het voorzien hebben op een lekker biefstukje. Witte lapjes langs de weg geven aan dat er pas iemand is gestorven en de familie in de rouw is.

Na een verfrissing in de lodge gaan we half drie naar het nabijgelegen Gal Oya natuurreservaat. Het reservaat bestaat voor een groot gedeelte uit een stuwmeer. We gaan dan ook met een boot het meer op. We zijn met twee gidsen en zeven andere toeristen. We varen naar de andere kant van het meer. Je kunt aan de dode boomtoppen die uit het water steken dat het stuw­meer nog niet zo lang geleden is gevormd. De gids vaart naar een paar grote rotsblokken. Als we dichterbij komen blijken het olifanten te zijn. We gaan aan land en volgen de olifanten een klein stukje. Als we terug zijn bij de boot wil deze aanvankelijk niet meer starten. De hele motor wordt binnenste­buiten gekeerd eer hij het weer doet.

De toppen van de in het water staande dode bomen worden be­volkt door grote aantallen vogels. Pelikanen, aalscholvers, reigers en de aparte slangehalsvogels. Boven het meer cirkelen wel tien visarenden rond. Helaas zien we niet de door Bob's handboek "beloofde" herten, flamingo's en kraanvogels. Wel zien we tijdens het rondje nog een paar keer olifanten. Ondanks de vele motorstoringen zijn we na twee uur weer terug. We zijn drijfnat van het opspattende water. Helemaal niet erg gezien de extreem hoge temperatuur. Na een kort ritje met de landrover zijn we weer terug in de Safari Inn. Met een oranje fanta laten we ons uitgeteld op bed ploffen. Het was een vermoeiende, maar erg leuke dag.

Tijdens het diner vliegt een enorme bidsprinkhaan de eetzaal binnen. Ik vang hem en toon hem aan moeder en Annemarie. Het dier heeft aparte gewoontes. Het meest bizar is dat het vrouw­tje het mannetje doodt en opeet, nadat het door hem is bevrucht. Als we op de waranda nog een laatste drankje nemen huppelt er een eekhoorntje vrolijk op een meter afstand voorbij. Even later komen we in gesprek met een bediende. Het gesprek gaat over de scholen, het werk etc. etc. in Nederland en Sri Lanka. Ik kan de rekening gelukkig met traveller's cheques betalen (Rs 2460), zodat we morgen vroeg weg kunnen en niet eerst ergens geld moeten zien te wisselen.

Zondag 10 Juli - Naar Kandy

Om zeven uur uit de veren. We maken ons klaar voor het vertrek naar Kandy. Opeens krijgt moeder krampen en strompelt ze naar de toilet. Ze heeft van die hele dunne. Lang verwacht en toch nog gekomen. Tussen de krampen door rijden we met de bus naar Amparai. De minibus naar Kandy blijkt helaas net weg te zijn en de volgende gaat pas over twee uur om 11:30.

We besluiten de ongemakkelijke aftandse bus van 10 uur maar te nemen. In de rij dan maar. Moeder heeft het ondertussen weer moeilijk. In het dorpscafé krijgt ze de sleutel van een hok met een klein poepgat. Mikken is moeilijk en al snel hebben de muren een ander kleurtje. Ze komt net terug als de bus aan komt, maar sprint als we bijna binnen zijn weer terug naar het toilet. Als ze terug komt van haar tweede verfbeurt is de bus al weg.

Ik heb ondertussen de kaart bestudeerd en besluit de minibus naar Mahiyangane te nemen dat halverwege de weg naar Kandy ligt. De rit gaat door een prachtige omgeving. Sawa's, jungle en mooie meren. De chauffeur is verkeerd zuinig geweest en heeft onvol­doende benzine getankt. Op 15 van Mahiyangane begint de minibus te sputteren en slaat even later af. De chauffeur lift naar de stad om benzine te kopen. We zijn precies gestopt bij een steengroeve. In de intense hitte slaan hier kinderen en volwassenen grote rotsblokken tot kiezels. Een vreselijk karwei, dat bovendien geen rode cent oplevert. Na een uur is de chauffeur terug met een litertje benzine. De minibus wordt de heuvel opgeduwd. Alleen moeder zit nog in de bus en heeft het prima naar de zin. Ze zingt uit volle borst "De koningin van Lombardije, die liet zich rijden!". Het litertje blijkt niet voldoende te zijn en op 2 km van de stad staan we weer stil. Langs de weg zien we de mensen werken op de rijstvelden. De rijst is net geoogst en wordt met een machine van de schil ontdaan. De chauffeur is gelukkig snel terug met benzine. We zijn dus iets later dan gepland halverwege de reis. Moeder heeft gelukkig geen last meer van haar buik.

We bezetten de laatste plaatsen van de minibus naar Kandy, zodat we meteen vertrekken. Het is een bochtige weg vol scher­pe S-bochten. Als we de bergen in rijden maken de rijstvelden plaats voor theeplantages. De minibus lijkt voor iedereen te stoppen. Er is plaats voor 14 mensen, maar al snel zijn er 24 mensen in de minibus gepropt. We baden in ons eigen zweet en de vorm van ons achterste begint aardig de vorm van een vier­kant te krijgen. We komen in gesprek met drie meisjes en een moslim. De meisjes zijn helemaal verrukt van de eau de cologne handdoekjes van moeder. De moslim nodigt ons uit om dinsdag een groot feest bij hem thuis bij te wonen. Hij viert zijn vakantie thuis na 8 jaar onafgebroken werken in Bahrein (Arabië).

Als we in Kandy aankomen worden we meteen weer overvallen door jongens die een onderkomen willen slijten. We lopen met eentje mee. Het blijken prima kamers te zijn, maar helaas niet voor drie personen. We pakken dus toch maar de bus naar het aanbe­volen Resthouse, dat recht tegenover de botanische tuin ligt. Het blijkt erg duur te zijn. We zijn echter afgepeigerd en hebben ook weinig zin om in het donker op zoek te gaan naar wat anders, zodat we voor één nachtje blijven. Buiten het hotel heeft een oude man in een holle boomstam een slaapplaats gevonden. Het eten is ontzettend heet en de bediening ronduit slecht. Nog een reden om morgen op te stappen. Voor het eerst lezen we hier een krant. Het staat vol met nationalistische onzin en is weinig informatief.

Maandag 11 juli - Kandy - botanische tuin

's Ochtends weer vroeg op en voor de zoveelste maal de spul­len gepakt. Deze stallen we even achter de balie, waarna we naar de tegenover het resthouse gelegen Botanische tuin lopen. Ook hier gelden de belachelijke toeristenprijzen, die 15 x zo hoog zijn als die voor de lokale bevolking. We nemen een gids en gaan de tuin binnen. De gids is bioloog en weet veel te vertellen over de vele soorten specerijenstruiken, palmen, orchi­deeën en andere planten en bloemen. Hij breekt bladeren van specerijstrui­ken af, zodat we de tym, peper, nootmus­kaat, kruidnagel of andere specerij kunnen ruiken.

De tuin wordt goed onderhouden door in totaal 200 mensen. In het orchideeënhuis zijn vele prachtige orchideeën te bewonde­ren. Aangezien deze bloem maar een paar dagen van het jaar bloeit, worden van elke soort in kweekhuisjes enorme hoeveel­heden gekweekt. Zo kunnen ze elke dag van het jaar alle soor­ten tonen. In de door de vroegere Kandyvorsten ontworpen tuin leven ook vliegende honden. Deze nachtdieren hangen aan één poot in de kruin van een hoge boom. Hoewel het nu dus bedtijd is maakt de kolonie een hels kabaal. Een jongen heeft een jong dier gevan­gen, die hij voor geld door de toeristen laat fotograferen.

Na de rondleiding gaan we op zoek naar de hangbrug over de Mahaweli rivier, die je in elke folder ziet. De afgesloten brug ligt in een heerlijk afgelegen deel van de tuin. De rivier ontspringt bij Adam's peak. Dit is volgens de Singha­lezen de plek waar Adam terecht kwam nadat hij uit het para­dijs was verstoten. Volgens de verhalen de plaats die na het paradijs het mooiste was. Op de top van de berg wordt een onduidelijke afdruk beschouwd als de voetstap van Adam. Andere religies geven de oorsprong van de "voetafdruk" aan eigen heiligen. In de Mahaweli zien we mensen zich wassen, terwijl koeien hun dorst lessen.

Als we terug zijn in het resthouse komen we een Nederlands stel tegen, die we ook in de tuin tegen kwamen. Hij blijkt bij de Sociale Dienst in Den Haag te werken en beroepsmatig met "mijn" GCA te maken te hebben. Wat is de wereld klein! Ze maken na een vakantie in Indonesië, waar ze o.a. een lugubere lijkverbranding mee maakten, een korte stop-over in Sri Lanka. Ze zijn niet getrouwd en hebben geen kinderen. Twee onbegrij­pelijke zaken in Indonesië. Je hoort te trouwen en kinderen te krijgen!

Na een paar toastje met kaas (!) en tomaat nemen we de bus naar Kandy. We stappen veel te vroeg uit en moeten een heel eind lopen. Ik heb een koudje gevat en voel het goed in mijn benen. Ik ben kapot als we in de hitte het centrum bereiken. We worden meteen benaderd door een jongen die een redelijk geprijsd guesthouse in de aanbieding heeft. Dankbaar stappen we in een door hem geregeld busje. We komen bij de Gem Inn. Het is erg schoon, maar gaan toch even kijken in een even verderop gelegen guesthouse van dezelfde eigenaar. Dit guesthouse heeft een prachtig uitzicht over het bergland­schap. We zijn meteen verkocht en nemen hier onze intrek. Het guesthouse is nog in aanbouw. Als er geld is wordt er gebouwd. Is het op, dan wacht je tot er weer geld is om verder te bouwen. Dit is de reden waarom we zoveel onafgebouwde huizen zien. Het kan jaren duren voor een huis echt af is.

Nadat we ons hebben geïnstalleerd gaan we de stad in. Kandy is een rommelige stad met veel leuke kleine winkeltjes. Voor Annema­rie kopen we een zilveren ringetje met een blauwe saf­fier (150 Rs). Als we terug zijn eten we rijst met currie. Ik zal dit traditionele voedsel waarschijnlijk nooit lekker vinden.

Na het eten worden we bij de Gem Inn gedropt, van waaruit we naar een theater worden gebracht waar de wereldberoemde Kandy dancers optreden. De show bestaat uit 12 delen en is best leuk om naar te kijken. Maar om nou van een wereldnivo te spreken?! Kleurrijk is het echter zeker wel. Na het optreden krijgen we een toegift. Twee mannen worden in trance gebracht, waarna ze even later over gloeiend hete kolen lopen. Hun training be­staat vast uit het overdag op blote voeten bezoeken van tem­pels. In hetzelfde gebouw is ook het casino. We kijken onze ogen uit. Er wordt met geld gesmeten alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Oude mannetjes verspelen in een paar minuten hun hele salaris aan de roulettetafel. Bij het Black Jack spel lijkt een man veel geld te winnen. In het donker gaan we te voet terug naar ons guesthouse. De stroomstoring van vanmiddag is gelukkig verholpen.

Dinsdag 12 juli Kandy

Het koude klimaat en het vreemde eten hebben hun tol geëist. Snipverkouden en onder de galbulten word ik om 2 uur wakker, waarna ik geen oog meer dicht doe. Een dikke keel zorgt er voor dat ik met 's ochtends geradbraakt voel. Een bak thee doet gelukkig wonderen. We besluiten niet naar het feest te gaan van de moslim in de bus. We worden gewaarschuwd door mensen van het hotel. Het schijnt voor te komen dat toeristen worden uitgenodigd in achterafwijken, waarna ze eenvoudig kunnen worden beroofd. De uitnodiging leek ons oprecht, zodat we een excuusbrief schrijven.

We bekijken vandaag de stad Kandy. De beroemde tempel van de tand valt zwaar tegen. Het is een kale bedoeling en we zien weinig wat we al niet eerder hebben gezien. Deze tempel is het heiligste oort in Sri Lanka. Hier wordt volgens de Boeddhisten een tand van Boeddha bewaard. Elk jaar wordt deze tand met veel ceremonieel op olifanten door Kandy gedragen. Een jongetje laat ons wat dingen zien, waaronder de proces­siekleding van de olifanten. Als hij om geld gaat bedelen haken we meteen af en kennen alleen nog maar de woorden 'thank you'.

Het regent hier vaak en dan ook niet zo'n klein beetje. In een winkeltje kopen we twee parapluies voor weinig. Als er geen toeristenprij­zen worden gerekend is Sri Lanka best goedkoop. We kopen ook wat souvenirs. Vooral houten olifantjes vinden we erg mooi. Voor de hele familie wordt er ingekocht. Ook lopen we over een markt. Het fruit ligt keurig netjes opgestapeld. Voor de rest is het maar een bende. Het afval wordt overal neergegooid, zodat de markt een weinig hygiëni­sche indruk maakt.

In Kandy worden we extreem lastig gevallen door straatventers. Iemand met een rieten matje maakt het helemaal bont. Hij loopt ons zeker een half uur achterna. Telkens als we 'no' zeggen lacht hij breed en zakt iets met de prijs. Als we vragen of hij het woord 'no' wel begrijpt lacht hij breed en zakt verder met de prijs. Als we een winkel invluchten blijft hij buiten net zo lang wachten tot we weer buiten zijn. Als na een half uur de prijs van 125 naar 45 roepies is gezakt is hij het zat en taait eindelijk af.

Terug in het guesthouse maken we een praatje met de eigenaar. Hij is ingenieur en bezig met het bouwen van een derde huis, terwijl het tweede nog niet eens af is. Hij is in Nederland geweest en hij laat trots zijn fotoboek zien. We rusten op de kamer even uit op ons balkon. We hebben uit­zicht over het groene achterland van Kandy. Tot mijn verbazing zie ik tot twee keer toe groene papegaaien voorbij vliegen. Hevige moessonregens verstoren meerdere malen onze rust. Met de galbulten gaat het de verkeerde kant op. Ze vermeerderen zich met de minuut. Mijn benen zijn één grote jeukende bult. Krabben verergert alles alleen nog maar.

In het guesthouse zijn ook drie Nederlanders met hun kinderen. Het is een echtpaar, dat hier werkt, en een meisje dat op bezoek is bij ze. De vrouw is wijkverpleegster, terwijl de man ad hoc landbouwkundige adviezen geeft op het gebied van insec­ticiden. Momenteel zijn ze in Kandy op werkbezoek. De man vertelt ons de achtergronden van de Tamil onlusten, die momenteel in het noorden van het eiland heersen. Zijn visie is een geheel andere, dan die je in de kranten leest.

Zijn visie op de Tamil kwestie:

De regering is sterk anti-Tamil. De kranten zijn gecensu­reerd en publiceren alleen de misdaden die door de Tamils zijn begaan. Het is een vuile oorlog, waarbij over en weer op grote schaal wordt gemoord.

Het probleem is dat de Singhalezen (80% van de bevolking) vinden dat er te veel Tamils op hoge posten zitten. De oorzaak hiervan is dat ze van de Engelsen als compensatie voor hun onvruchtbare gebied betere scholing hebben gehad. Ook hebben Tamils een grotere handelsgeest dan de Singhale­zen.

De Singhalese regering startte daarop een campagne om de Tamils het land uit te zetten. Ze werden verplicht een Indiaas paspoort aan te vragen om dit plan uit te kunnen voeren. De meeste Tamils wonen echter al 7 á 8 generaties in Sri Lanka en willen niet naar het straatarme Tamil Nadu in India. In de kranten werden Singhalezen opgezet tegen de Tamils. Deze helpen graag mee om de Tamils terug te pesten naar India. Huizen van Tamils worden de laatste jaren in brand gestoken en soms worden zelfs bussen tot stoppen gedwongen, waarna de Tamils er uit worden gehaald en vermoord.

Nadat bij een vredelievende sit-down actie van Tamils enkele jaren terug in Colombo vele Tamils werden doodge­knuppeld en de regering daar niets aan deed hebben de Tamils zich verder georganiseerd en zich sterk gemaakt door het uitroepen van een onafhankelijke Tamil staat in het noorden van Sri lanka. De regering reageerde hierop met een felle haat-campagne tegen Tamils en het afkondi­gen van de staat van beleg. We beseffen het niet, maar de boel staat hier op springen.

De dag dat we terug komen in Nederland is Sri Lanka wereldnieuws. Tamil strijders hebben als reactie op het uitmoorden van een Tamildorp 13 soldaten gedood. Uiter­aard staat alleen dat laatste in de kranten. De Singhale­se bevolking neemt het recht in eigen hand. Niet gehin­derd door de toekijkende politie worden in het hele land duizenden Tamils vermoord. In Colombo wordt een hele wijk platgebrand. Ook vlak bij ons hotel in Mount Lavinia gaan de Tamil hotels in vlammen op. Luguber is het verhaal van een Noorse toerist, die voor haar ogen zag dat een mini­bus vol Tamils in brand werd gestoken, terwijl de deuren geblokkeerd werden. Dit onder de ogen van de politie en honderden Singhalezen. Deze vuile oorlog zal nog vele jaren duren. In 1995 lijkt de oorlog pas voorbij te zijn als het Singhalese leger Jaffna verovert. Tamil vluchte­lingen zijn dan al een begrip in de wereld.

De Nederlander heeft een Tamil kindje geadopteerd. De ouders zijn na een aanslag met een brandbom op hun winkel verbrand. We kunnen ons deze gruweldaden niet voorstellen. De mensen hier, zowel Singhalezen als Tamils, lijken zo aardig. De onderlinge haat moet echter gigantisch zijn. Zo las ik eens het verhaal van een Singhalese taxichauffeur. Deze verklaarde zijn Tamil buurman te vermoorden als de Tamils nog één aanslag zouden plegen. Ze waren goede vrienden, maar hij zag het als zijn plicht de buurman te doden om de Tamils te leren.

Woensdag 13 juli Trein naar Haputale

We sliepen vannacht met z'n drieën in één bed. Op de grond had ik te veel last van de tocht. We pakken de spullen bij elkaar en laten ons bij het station afzetten. We gaan vandaag met de trein de bergen in naar Haputale. Ik heb een plekje in de 'observation saloon' gereserveerd. Van hieruit kun je de omgeving door de grote ramen goed zien.

De treinreis duurt 6 uur en voert ons dwars door de hooglan­den. Aanvankelijk zien we voornamelijk rijstvelden, maar als we wat hoger komen zien we ontelbare theeplan­ta­ges, waar Sri Lanka zo bekend om is. Dit gebied heet ook wel de thee­tuin. Bananenbomen staan als onkruid langs de kant. Het regent regelmatig zo hard, dat we zo goed als geen zicht meer hebben.

Onderweg wordt er een lorrie met een touw aan de trein gekop­peld. Er zitten vier mannen op, die op deze wijze zich naar boven laten trekken. De wielen hebben geen verdikking om het spoor te kunnen volgen, zodat er nauwkeurig gestuurd moet worden achter de erg langzaam rijdende trein. Voor de zeker­heid is het touw onder een kistje met een man er op geplaatst. Als de lorrie van de rails raakt kan deze man er meteen af springen, waarna het touw los komt en de koppeling is verbro­ken. Met bewondering en verbazing volgen we dit tafereel.

Om 15:15 zijn we in Haputale. Met zes andere toeristen worden we door een tout van een guesthouse gestrikt. Over de rails lopen we er naar toe. Drie minuten lopen vanaf het station staat er op zijn kaartje. Dat betekent in Sri Lanka dus een kwartier. Als de jongens horen dat Annemarie 16 jaar en ongetrouwd is zijn ze door het dolle heen. Annemarie vindt het prachtig! We hebben weer een driepersoonskamer, maar ditmaal zonder badkamer of wasbak. Het is echter wel spotgoedkoop.

De last van galbulten is zo erg geworden, dat we op zoek gaan naar een dokter. Ik krijg allerlei tabletten en een recept voor een zalfje, dat we bij de drogist moeten halen. Het bonnetje voor de verzekering levert de nodige problemen op. Er wordt op een afgescheurd stukje gelinieerd papier iets geschreven, wat dan de rekening zou moeten zijn. Het lijkt nergens op. Uiteindelijk pak ik zelf maar een willekeurig stempel en gebruik het om de bon er een beetje officieel uit te laten zien. De dokter zegt dat de galbulten waarschijnlijk veroorzaakt worden door één of andere allergie. Mogelijk is ananas de oorzaak van alle ellende. Op de terugweg stort ik haast in. Ik heb koorts en na een aspro en een beker mushli hou ik de rest van de dag dan ook voor gezien.

Donderdag 14 juli Haputale naar Mt Lavinia

Vanochtend gaan we met de eigenaresse van ons guesthouse naar een schooltje, waar ze lerares is geweest. Het is een school voor de arme mensen van het dorp. Degenen met geld sturen hun kinderen naar een school 10 km verderop. Onze knappe 20-jarige guesthouse eigenaresse laat de hele school zien en vertelt veel over het schoolleven in Sri Lanka. De lagere school kent 10 klassen, die iedereen zou moeten volgen. De 'leerplicht' kan echter eenvoudig worden ontdoken, want er zijn geen straffen op overtreding. Na de tiende klas bestaat de mogelijkheid verder te studeren. Verder heeft Sri Lanka volgens de officiële statistieken een hoog percentage scholie­ren in de lagere klassen, maar een bedroevend laag aantal studenten. De lessen gaan vaak over zaken die bij ons heel gewoon zijn, maar in Sri Lanka op school geleerd moeten worden. Zo hanen er grote platen die de kinderen leren wat hygiëne is, hoe ze babyvoeding moeten maken, hoe je eten moet koken etc.

Na het leuke bezoek aan de school nemen we de bus door de gigantische theetuinen naar een theefabriek. Hier wordt ons bereidwillig het proces van theeplukken tot het inkisten verteld en getoond. Na allerlei bewerkingen worden de blaadjes machinaal op kwaliteit gescheiden, klaar voor de export. Na de rondleiding lopen we een stukje terug naar Haputale. Het uitzicht over de talrijke plantages is prachtig. Er is alleen geen theeplukster te zien.

Terug in Haputale lunchen we in één van de slechtste restau­rantjes die we ooit tegen zijn gekomen. De tafels waren smerig en na ruim een uur hadden we nog geen eten. Aangezien we de bus van 15:30 moeten halen gaan Annemarie en ik alvast de spullen in het guesthouse ophalen. We vragen de ober nog 10 minuutjes met het eten te wachten tot we terug zijn. Die paar minuten konden er ook nog wel bij. We zijn nog geen minuut weg of moeder zit met drie borden soep voor haar neus, even later gevolgd door de rest. Als we terug zijn is alles dus hartstikke koud. Na deze Spartaanse hap lopen we naar het busstation. We hebben onze koers gewijzigd. Aan de zuidkust heerst cholera en aangezien het bovendien al laat op de dag is besluiten we terug te gaan naar Mt. Lavinia. Vanuit Mt Lavinia gaan we dan per trein naar het zuid-westen en mijden we het zuid-oosten.

De busreis naar Colombo duurt 6 uur. De rit kent twee voorvallen, die we thuis nog vaak uit ons geheugen zullen diepen.

De rit gaan door de bergen vol S-bochten. Annemarie wordt misselijk en kan haar maaginhoud niet meer binnen houden. Ze kotst in een rieten hoed, maar die lekt natuurlijk aan alle kanten. Snel een raampje open en hup naar buiten. In de haast kijkt ze niet waar ze gooit en de volle inhoud spat in een stalletje uit elkaar. Ook haar buurman zat helemaal onder.

Het tweede voorval is wat luguberder. Als we in het donker door Ratnapura rijden wordt de weg plotseling geblokkeerd door een vrachtwagen. Er breekt meteen paniek uit in onze bus en een aantal mensen maakt aanstalten om door het raam te vluch­ten. Gelukkig blijkt al snel dat de vrachtwagen alleen maar aan het keren is. De paniek begrijpen we pas goed als we in Nederland terug zijn. Tamils worden na de uitbarsting van etnisch geweld op 25 juli massaal uit huizen en bussen ge­haald om te worden vermoord. Maar ook voor die uitbarsting, die wereld­nieuws was, zijn er Tamils uit bussen gesleurd en vermoord.

De luxe 'intercitybus' zet ons even voor midder­nacht af in het centrum van Colombo. Voor 90 roepies laten we ons door een gammele taxi, een oude Morris uit 1953, naar ons hotel bren­gen.

Vrijdag 15 juli Mount Lavinia

Het is de laatste week erg slecht weer geweest aan de west­kust. Geen zon en veel regen en wind. Geen probleem voor die twee Duitse meiden die hier samen met hun ouders gelijktijdig met ons arriveerden. Tot grote ergernis van hun ouders lopen ze ene hitsige Srilankees na de andere af.

We brengen het goede weer mee. Het is stralend weer als we over het strand in de richting van Colombo lopen. Er zijn in dit toeristengebied weer meer verkopers. Hun waren prijzen ze eerst tegen belachelijk hoge prijzen aan. Het gekke is dat ze boos worden als je een net zo belachelijk laag bod doet. Rare mensen. Voor 100 Rs koop ik een prachtige zelfge­maakte catamaran met rode zeilen. Het enige probleem is dat de verkoper hem na de koop uit elkaar haalt en ik geen idee heb hoe hem weer in elkaar te zetten.

Als we verder lopen en de krottenwijken de plaats van de hotels hebben ingenomen maakt moeder een klassieke fout. Er lopen kinderen met ons mee en moeder geeft ze een snoepje. Waar ik bang voor was gebeurde. De tientallen mensen die ons met argusogen al een tijdje volgden veroorzaken een ware stormloop uit de krottenwijk. Even later staat er een wolk vragende handen om ons heen die allemaal een snoepje willen. Het gaat er best heftig aan toe. Er wordt behoorlijk op ons gescholden als het zakje leeg is en niet iedereen heeft gehad. Een moeder met kind weet ook een snoepje te bemachtigen, maar steekt het in haar eigen mond. We zijn eerst ietwat verontwaardigd, maar als we goed kijken blijkt de moeder ook niet veel ouder dan 14 jaar te zijn.

Geschrokken verlaten we het strand en lopen door de wijk naar een station. De eerste trein blijkt pas om 14 uur te gaan, zodat we maar de minibus naar het Fort (centrum) in Colombo nemen. In het centrum struinen we wat soevernirwinkeltjes af, waaronder Laksala van de overheid. Hier kun je zien wat de normale prijzen zijn. Erg handig, want dan weet je tot hoever je ongeveer af kunt dingen op straat. De buit van vandaag is een groot aantal houten olifantjes en een saffiertje voor Annemarie.

's Avonds eten we in Mt. Lavinia uitstekend in het Palm Beach hotel. Met Annemarie speel ik een potje tafeltennis. Een gezellig hotel. Na het eten lopen we wat over het strand. Vissers halen met een vislijn de ene na de andere rog binnen. Ze worden voor­zichtig van de lijn afgehaald vanwege hun giftige naald aan hun staart. Ze hebben ook een moeraal gevangen. Deze 'giftige paling' is niet te eten en wordt meteen aan de kraaien gevoerd. Morgen proberen we met de trein naar het zuiden af te reizen.

Zaterdag 16 juli Mt Lavinia

We staan te laat op en missen de laatste trein vanaf het Mt. Lavinia station. Wat een pech. We worden geadviseerd de 13 km naar Colombo te rijden om daar een bus weer terug naar Galle te nemen. Daar heb ik geen trek ik en verwacht met de vele minibussen die hier gaan een heel eind op weg te komen. Het blijkt echter ondoenlijk uit de ontelbare minibussen die ene goede uit te pikken. We gaan dus maar op goed geluk naar het zuiden. De rit eindigt al na 8 km in het dorpje Moratuwa. Er zijn hier veel minder transportmogelijkheden dan we dachten en het blijkt moeilijk nog een stuk zuidelijker te komen.

We besluiten de trip naar het zuiden maar een dagje uit te stellen en een beetje in dit leuke plaatsje rond te kijken. We komen lang een primitieve vishandelaar, leuke fruitstalle­tjes en zien ossekarren en heilige koeien tussen het verkeer. De westerse wereld heeft hier nog weinig invloed. Bij het oversteken van een brede rivier zien we een reclame­bord van een hotel aan een meer. We besluiten er heen te lopen. Het is maar een kilometer, maar in deze hitte is dat al een opgave. We hebben weer last van een 'alleraardigste' meeloper. Als we bij het hotel aankomen maakt hij meteen een praatje aan de bali. We kunnen het niet verstaan, maar het is duidelijk dat hij voordoet alsof hij ons hier heen heeft gebracht en of er niet wat commissie voor hem inzit. Hij probeert ons ook allerlei dure dingen aan te smeren, zoals een veel te dure boottocht en een sportvisuitstapje. Het meer stinkt en er is hier verder weinig te doen, zodat we na ons drankje besluiten op te stappen. Grappig is wel dat ze hier om brutale kraaien op een afstand te houden delen van dode kraai­en in het restaurant ophangen. We nemen de bus terug naar de bewoonde wereld. De irritante plakker probeert ons op te laten draaien voor zijn buskaartje, maar daar trappen we mooi niet in.

Terug in Mount Lavinia stappen we een soevernirwinkeltje binnen. We denken aanvankelijk in een klein zaakje terecht gekomen te zijn, maar het blijkt later een superexclusieve zaak te zijn vol kwaliteitsartikelen die over de gehele wereld worden verkocht. Al snel valt mijn oog op een schitterend schaakspel. De stukken hebben allemaal iets met Sri Lanka te maken. De koning is een bekend beeld uit Polonnaruwa, de dame het evenbeeld van de fresco uit Sigariya, de lopers Kandy dancers, het paard een indische olifant, de toren een tempel uit Kandy en de pionnen stellen de apen voor die je vaak bij tempels ziet. Ik ben er helemaal weg van. Het is echter peperduur. 5000 Roepies! ( fl 600,-). Helaas te veel voor mijn bud­get. Ik ga tenslotte in oktober voor 7 maanden naar Zuid-Amerika en heb mijn centjes hard nodig.

De rest van de middag blijven we bij het zwembad van Palm beach hotel. Twee brutale kraaien doen zich in een onbewaakt moment tegoed aan het kannetje melk en vliegen even later met een witte snavel rond.

Aan het eind van de middag lopen we even over het door storm en wind geteisterde strand. Het weer is sinds ons vertrek voor de rondreis niet best geweest. Het strand is behoorlijk ver­vuild. Volgens de mensen hier worden regelmatig de ruimen van tankers schoon gespoeld, waarna de resten hier op het strand aanspoelen. Een jongen laat ons zien hoe je op het strand torren vangt, die de vissers als aas gebruiken. De knul ziet met zijn scherpe blik de ogen van de torren, die op steeltjes boven het zand uitsteken. Met een snelle beweging schept hij met zijn handen in het zand om ze te vangen. Na het diner gaan we vroeg slapen. We willen morgen de trein niet nog een keer missen.

Zondag 17 juli Weligama en Ambalangoda

We nemen al vroeg de minibus naar het Fort in Colombo. Het is zondag en derhalve vreselijk stil op straat. We zijn veel te vroeg bij het station. Op zondag gaat de trein een uur later dan normaal. We hebben goed de gelegenheid het oude station goed te bekijken. Het ademt nog het koloniale verleden uit. Dameswacht­huisjes, handbediende spoorwissels, 19e eeuws aan­doende winkel­tjes en natuurlijk de ouderwetse treinen.

De treinreis voert ons naar Galle in het zuiden. De tocht duurt 3 uur en voert ons vlak langs de kust. De natuur is overweldi­gend. We hebben nog niet zoveel groen gezien deze vakantie als vanochtend. De kokospalmen, bananen-, mango- en papayabomen groeien in overvloed. De stranden zijn nog in bezit van de vissers. Hoe lang duurt het nog eer ook hier een hotelrij uit de grond is gestampt? Pas als we onze locomotief voorbij zien rijden en deze aan de andere kant van de trein wordt gekoppeld, beseffen we dat we al in Galle zijn. We waren totaal het gevoel van tijd en plaats kwijt. Als we de trein verlaten is er meteen weer zo'n opdringerig type die wel alles voor je zal regelen. Wat we van plan zijn kan niet of is niets aan. Nee, hij heeft voor ons de ideale tour. We negeren hem een tijdje, waarna hij na verloop van tijd gelukkig aftaait. Op zoek naar het busstation passeren we een oud kerkhof. Tot onze verbazing liggen hier veel nazi's begraven, die in de 2e wereldoorlog hier zijn omgekomen. De graven zijn versierd met grote hakenkruizen en adelaars. Heel apart.

We nemen de bus naar Weligama, die volgens de knul niet zou rijden. Aan de chauffeur vraag ik meerdere keren of hij wil stoppen bij de bekende paalvissers van Weligama. Hij knikt begrijpend en zet ons vervolgens midden in het dorp op 5 km afstand van de paalvissers af. We worden meteen omringt door 15 kinderen, die ons in het Duits van alles proberen te slij­ten. We vluchten een guesthouse in en hopen dat het na het nuttigen van een sandwich wat rustiger op straat zal zijn. Helaas, de meute wacht geduldig tot we klaar zijn en bespringen ons opnieuw als we één voet buiten de deur zetten.

We laten ons verleiden tot en boottochtje over het koraalrif. De boot is zo smal dat je alleen op de rand van de boot kunt zitten. De zee is vrij wild en we worden eenmaal door een grote golf helemaal overspoeld en zijn meteen kletsnat. Moeder en Annemarie houden zich goed, als rommelt het behoorlijk in moeders maag. Door een primitief kijkglas zien we het koraal met af en toe een gekleurd visje er tussen. Niet hele­maal wat we ons er van voorgesteld hadden. Voor we er erg in hebben worden we op een verlaten strandje weer aan wal ge­bracht.

Langs de grote weg lopen we naar de plaats waar doorgaans de steltvissers actief zijn. In de zee hebben ze een stellage gemaakt, waar vanaf ze dan met een hengel vissen vangen. In elk boek zie je wel een mooie foto van deze steltvissers afgebeeld. Als we op de plek aankomen blijken er slechts twee aan het vissen te zijn. Het toerisme heeft hier flink toege­slagen, want als ze ons aan zien komen klimmen ze meteen van hun paal. Ze willen eerst geld (10 Roepies) zien voor ze weer in hun paal klimmen. Gelukkig had ik ze al met mijn telelens in de camera gevangen en hoeven we mee toe doen aan dit spelletje. De show is nog niet afgelopen. De man vraagt of we een kokosnoot willen kopen. We hebben wel trek en zeggen oke. De man klimt hierop tot onze verbazing in een hoge palmboom om de kokosnoot te plukken. Halverwege durft hij niet verder en komt terug zonder kokosnoot. Hij wil echter wel geld hebben voor het klimmen !!

We lopen nog een stukje langs de zee en pakken dan vervolgens de bus naar Galle en het verderop gelegen Ambalangoda. Deze plaats is het centrum van de maskermakers. Tegen sluitingstijd stappen we bij de beroemdste maskermaker, Ariyapale, naar binnen. Er staan enorm veel maskers opgesteld. Aanvankelijk kan ik er niet een vinden waarvan ik helemaal uit mijn bol ga. Plotseling zie ik een masker dat op mij hing te wachten. Een schitterend ding. Het afdingen kan beginnen. De prijzen zijn uiteraard niet misselijk. In het hoogseizoen kost hij 1500 Rs, nu 1200 maar omdat het bijna sluitingstijd is mag ik hem hebben voor 950. Er viel weinig meer vanaf te halen en ik wil niet meer uitgeven dan 600 Rs (Mijn bod is 500 Rs). Morgen is er nog een dag en we verlaten de zaak. Als we de hoek om zijn komt de verkoper achter ons aan en heb ik een schitterend masker voor maar 600 Rs.

Het is al donker als we naar de bus lopen. Onderweg wordt ons een kamer aangeboden. We hebben er niet op gerekend en geen overnach­tingsspullen bij ons. Na kort overleg doen we het toch maar. We slapen bij een hele sympathieke familie thuis. De man is een in darminfecties gespecialiseerde arts. Dudley, de knul die ons op straat aansprak, is net als ik spelletjesgek en we spelen de hele avond (tot 24 uur) bij de klanken van Bob Marley de meest uiteenlopende spelletjes. De eigenaar vindt het ook leuk dat we er zijn. Annemarie en moeder krijgen een kettinkje met in Sri Lanka gemaakte Zweedse paard­jes.

Maandag 18 juli Mount Lavinia

Het huis van de arts is mooier dan dat van de doorsnee bevol­king, maar desondanks verrassend primitief. Het drinkwater komt uit een waterput waarin vissen zwemmen om te controleren of het nog steeds zuiver is. Alle ramen zijn voorzien van traliewerk. We kregen het advies de spullen ver van de ramen te leggen om 'hengelen' van eventuele dieven te voorkomen. Dudley geeft ons een excursie door de tuin, waarbij hij ons diverse fruitbomen en specerijen toont.

Na het afscheid lopen we naar het strand. Annemarie heeft er best zin in, maar als we bij het verlaten schitterende palmen­strand komen betrekt haar gezicht. Ze had strand- en friet-tenten verwacht en geen palmen en rotsen. Na een uur bakken komen er zowaar nog een paar mensen het strand op. Het zijn Engelsen. Ze komen enthousiast op ons af en lijken te denken dat we de enige blanken in Sri Lanka zijn. Ze zijn er dan ook nog maar een dag. We vertellen honderd uit over onze ervaringen en geven ze een aantal handige tips. In de zee liggen een rotsen vol rotsspringers. Rotsspringers zijn longvissen, die zowel in het water als (tijdelijk) op het land kunnen leven. Ze springen van steen naar steen. Een vermakelijk gezicht.

Als we helemaal rood verbrand stappen we maar op en willen terug naar Mount Lavinia. Dat blijkt niet mee te vallen. De bussen zijn overvol en de trein rijdt voorlopig niet. Na vele volle bussen besluiten we toch maar de trein te nemen. Deze heeft tot overmaat van ramp ook nog eens 1½ uur vertraging. 2½ uur later dan gepland vertrekken we pas naar Colombo, waar we 4 uur later aankomen. Snel de minibus naar het hotel om onder de douche de vermoeienissen van de dag af te spoelen. 's Avonds weer lekker eten en tafeltennissen met Annemarie in Palm Beach. Annemarie en ik hebben alweer last van galbulten. Dat @#%&@ eten!

Dinsdag 19 juli Mount Lavinia

De laatste dag en dus ideaal om nog wat laatste inkopen te doen. We berekenen nog $20 nodig te hebben en wisselen dit bedrag een stukje verderop bij de bank van Dehiwala. Ik ga nog even alleen naar Colombo "voor zaken". Hierna ga ik op zoek naar een goedkopere uitvoering van het schaakspel, maar verder dan wat kitsch kom ik niet. Na het kopen van wat souvenirs, waaronder de zoveelste olifantenset, ga ik aan het eind van de dag terug naar het hotel. Het heeft wat langer geduurd dan verwacht en moeder was doodongerust. De dag is voorbij gevlogen. Het is al bijna donker als we voor de laatste maal het strand oplopen.

Als we 's avonds aan het inpakken zijn komt de verlegen kok even langs voor een praatje. Hij wil met ons corresponderen. Omdat hij ons mag komt hij met allerlei presentjes aanzetten, zoals een tros bananen en een nog op de steel zittende ananas. Wij geven hem een Nederlands woordenboek omdat hij wil probe­ren in het Nederlands te schrijven.

Woensdag 20 juli Weer naar huis

We worden om 7:30 al door de bus van het reisburo opgehaald. Op weg naar het vliegveld pikken we nog een hele massa Duitse toeristen op uit de diverse strandhotels. Op de luchthaven hebben we verrassend weinig controle en kunnen we zelfs de 100 Rs airporttax ontlopen. De 300 Roepies, die we nu over hebben kunnen we nu een betere bestemming geven. We hebben adressen genoeg om het heen te sturen.

Vlak voor een hevige bui stappen we het vliegtuig in. Als we opstijgen zien we voor het laatst nog even het eiland dat ons zo dierbaar is geworden de laatste weken. Dan is het zee, zee en nog eens zee. Moeder komt helemaal bij van de bonenmaaltijd. Ze is helemaal uitgekeken op al die rijst. Moeder krijgt het nog met een arrogante Duitser aan de stok. Deze commandeert haar op nazi­toon het leeslampje uit te doen tijdens de film. Als ik hem lik op stuk geef gaat hij met veel tam-tam ergens anders zitten.

Na 10 uur en een kwartier landen we in Düsseldorf. Vol goede moed halen we de bagage op en lopen naar de pascontrole. De douane heeft er zin in vandaag en keert bij iedereen alles binnenstebui­ten. We staan voor in de rij, maar zijn toch pas na 2 uur aan de beurt. Dan hebben ze pas 6 mensen gecontro­leerd! Ze zijn op zoek naar edelstenen. Je ziet ze beeldjes mee naar achteren nemen om door te lichten. Ook worden alle koffers op dubbele bodem nagekeken en alles tot de vieze slipjes toe doorzocht. Als wij aan de beurt zijn maken we er een dolletje van en mogen vrij snel door. Als ik de miereneuker op de foto wil zetten houdt hij snel zijn handen voor zijn gezicht. We moeten ons haasten. De lichten van de kever doen het niet allemaal, zodat ik voor donker over de grens wil. Om 9:25, drie minuten voor zonsondergang, zijn we bij de grens. Na wat opmerkingen over al die deuken mogen we Nederland in en zijn we om 23:45 thuis.

Epiloog

Het weekend na onze terugkeer is Sri Lanka wereldnieuws. Op televisie zien we tanks door Colombo rijden en is de noodtoestand afgekondigd. Alle toeristen worden in allerijl het land uitgewerkt.

Nadat zondag 13 soldaten in een Tamil hinderlaag zijn gelopen brak de hel los. De kranten berichtten uiteraard niet dat dit weer een vergelding was voor het uitmoorden van een Tamildorp een paar dagen daarvoor. Singhalezen spelen eigen rechter en gaan massaal de straat op om de Tamils 'een lesje te leren'.

Met de goedkeuring van de politie en het leger worden Tamils massaal vermoord en hun bezittingen in brand gestoken. In Kandy en Colombo zijn hele wijken in vlammen opgegaan. Een ooggetuige verteld van een busje vol Tamils dat op weg naar het vliegveld in brand gestoken werd terwijl de deuren werden geblokkeerd. De regering geeft om de Amerikanen te paaien de 'buitenlandse communistische elementen' op doorzichtige wijze de schuld.

Bob zit nog in India, maar moet naar Sri Lanka terug voor de terugvlucht. Als een van de eerste buitenlanders komt hij na de rassenrellen weer in Sri Lanka. Hij heeft nog spullen in Mount Lavinia, die hij tegen alle adviezen in toch op gaat halen. Hij ziet de stad nog branden en executies op het strand. Ook zijn enkele hotels van Tamil eigenaren in Mount Lavinia in brand gestoken.

Als we laten corresponderen met mensen die we tegengekomen zijn blijkt het onderwerp al snel taboe te zijn. Het is hun zaak, waar wij ons niet mee te bemoeien hebben. Tot onze verbijstering laten ze allemaal wel doorschemeren dat het de Tamil's eigen schuld is en is er van enige schaamte niets te merken. De haat tussen de Tamils en Singhalezen moet wel erg diep zitten. Het leken allemaal van die aardige Boeddhisten.

8 april 1996 (13 jaar later !!). De ellende is nog steeds niet over. De bloedige oorlog is nog steeds aan de gang. In 1995 heeft de regering het noorden met veel verlies aan levens veroverd. Jaffna is onder de voet gelopen, maar de guerilla gaat door. De Tamils willen een eigen staat en zolang dat niet is gerealiseerd zullen ze er met al hun energie voor strijden. De Singhalezen en Tamils staan verder uit elkaar dan ooit. Naar Nederland gevluchtte Tamils worden nog steeds gezien als Economische vluchtelingen.