Woensdag 10 februari 1988     De vlucht

Na een paar weken hard werken is het eindelijk zo ver. Vandaag vlieg ik ondanks de extreme storm, tot windkracht 12 !, via Boekarest naar Bangkok in het verre oosten. Mijn reisgenote Martha is er al een week. We ontmoeten elkaar ergens op het eiland Koh Samui dat ongeveer 900 kilometer ten zuiden van Bangkok ligt. Als het goed is ligt een brief met daarop haar verblijf­plaats bij de poste restante in Nathon, de belang­rijkste stad op Koh Samui. Het is de bedoeling dat we wat tochten gaan maken in de gouden driehoek. Er moeten zo'n 10 verschil­lende berg­stammen in dit gebied zijn. Met name de Pa­doung hebben mijn belangstelling. De vrouwen van deze stam hebben hun nek tot "giraf­fenek" opgerekt dmv het steeds tussenvoegen van hals­ringen. Het zal een hele toer worden ze te vinden. Illegaal Burma in gaan is nog één van de kleinste hindernissen die overwonnen moet worden.

Op het ogenblik zit ik op mijn vertraagde vlucht met de Tarom te wachten. Na een echte Oost-Europese kontrole vliegen we met bijna een uur vertraging richting Boekarest. Met Sabine, een duits meisje dat ook naar Thailand gaat, praat ik honderd uit over onze eerdere rei­zen. Ze heeft ook al heel wat mee gemaakt tijdens haar lange reizen door Amerika (1 jaar), India (4 maanden), Egypte en Europa. Na een tussenlanding in Zürich vliegen we over de witte Alpen naar Roe­menië. Er moet uitgeweken worden naar Constan­ce. Waarom is onduidelijk. In Constance moeten we in een ijskoude hal wachten op onze aanslui­ting. De Roemenen hebben allemaal een dikke beremuts op die me doet denken aan Breznjev op het Rode plein. Veel passagiers hebben geen rekening gehouden met dit koude uitstapje en sterven van de kou in hun enkele T-shirtjes. Roe­menië is bijna bankroet en als gevolg hiervan mogen particulieren niet meer auto rijden en wor­den openbare gebouwen, waaronder ziekenhuizen !, niet meer verwarmd. Volgens Sabine zijn door deze maatregel recentelijk pasgeboren baby's omgekomen. Deze koude aankomsthal bevestigt het bestaande beeld van de Oostbloklan­den: kil, grauw en mensonvriendelijk. Met Sabine dood ik de tijd met een paar potjes back-gammon.

Na een extra vertraging van drie uur vliegen we met een Boeing 737 verder. De bediening is als verwacht. Slecht dus. Als je om thee vraagt zeg­gen ze gewoon nee en frisdrank is er wel, maar alleen voor de bemanning. Alleen een bekertje water met drijvende niet nader te identificeren zooi kan er af. Je moet het wel zelf aan de ande­re kant van het vliegtuig gaan halen. Midden in de nacht wordt plotseling mijn stoel naar voren ge­kwakt. Er moet gegeten worden. Meer dan twee crackertjes is het niet en ik ben blij dat ik van thuis een overle­vingspakket heb meegenomen. We hebben maar een korte nacht omdat we te­gen de zon in vliegen. Als we opstijgen na een tussenlanding in Abu Dhabi, 4 uur Neder­landse tijd, is de zon al weer op en zien tot aan de hori­zon kale woestijn. Zes uur later mogen we onze gevangenis verlaten als we aankomen in het bloedhete Bangkok. Mijn horloge zet ik zes uur verder.

Na de passenkontrole neem ik samen met Sabine een taxi naar de stad. Het is 30 km en een uur rijden naar het centrum van deze miljoenen­stad. Het is zwaar bewolkt en bloedheet. Als de taxi even stopt en er dus geen koel windje is, is het haast niet uit te houden. Het verkeer is één cha­os. Het is hier nog erger dan in Istanbul en Co­lombo samen.

Na wat zoeken komen we tegen donker terecht komen we terecht in "James Guesthouse", waar we voor deze ene nacht een kleine maar redelijk schone kamer nemen. Na een verfrissende dou­che gaan we de wijk Banlamphu in om wat te eten. Banlamphu is een populaire wijk bij reizi­gers, vol guest- en eethuis­jes. De concentratie blanken is hier dan ook erg hoog. Het is erg gezellig op straat. Overal karre­tjes waar op een houtvuurtje de lekkerste gerechten worden klaar gemaakt. In een restaurantje nemen we een glas papayasap en een lekker Thais gerecht. Rijst met zoetzure saus en kip. Het duurste wat op de lijst te vinden is kost 20 Baht, nog geen ¦1,60. Ik ben 22 Baht kwijt voor een goed gevulde maag. Rond 9 uur liggen we op bed.


Vrijdag 12 februari      Bangkok

Wat een nacht. We dachten een guesthouse te hebben dat iets van de weg af ligt, maar het ver­keer is zo druk en er rijden zoveel auto's zonder uitlaat dat je nauwelijks een oog dicht doet.
Vanmorgen gaan we eerst naar de Tarom om onze terugvlucht te regelen. Sabine heeft dezelfde problemen als ik, namelijk een nog niet akkoord zijnde terugvlucht. Ze zijn erg vriendelijk bij de Tarom, maar moeten me toch vertellen dat er een wachtlijst is van maar liefst 36 personen en daar komen dan nog de mensen bij die de week eer­der niet konden vliegen en dan bovenaan "mijn" wachtlijst geplaatst worden. Ik moet er maar van­uit gaan dat ik niet mee kan. Misschien een week later, maar ook dat is verre van zeker. De wacht­lijst zal ongetwij­feld flink inkorten, maar 36 wach­tenden voor me is wel erg veel. In tegenstel­ling tot wat de NBBS beweert is het wel mogelijk de terug­vlucht al in Nederland te boeken. Ze hebben de boel gewoon geflest met hun verhaal dat de Tarom dit niet doet wegens gebrek aan compu­ters. De vlucht is gewoon vol en ze hebben me gewoon een open jaarretour aangesmeerd met voor de vorm de 11e Maart als fictieve retourda­tum. In Nederland zal ik wel aan de bel gaan hangen, maar laat nu mijn vakantie er niet door beïnvloeden. Ik kan er toch niets aan doen. Sabi­ne vliegt een week later als ik, maar is deson­danks nummer 34 op de wachtlijst. Ook zij is misleid door het reisburo.

Na deze tegenvaller lopen we wat door de drukke straten. Bij een tempel wordt driftig het Boeddhis­me bedreven. Sierlijke danseressen lopen sierlijk de muziek rond een Boeddha beeld. Stenen oli­fanten en uiteraard ook het boeddha beeld wor­den al biddend met bladgoud be­kleed. Gekooide vogeltjes kunnen tegen betaling vrij gelaten wor­den. Je moet je dan geweldig gaan voelen, maar ik kan me voorstel­len dat de mensen zich juist belazerd voelen omdat de vogels meteen weer terug vliegen naar de eigenaar. Ook ik doe mee aan de show en geef twee vogeltjes voor even de "vrijheid". Aangezien we hier in Bangkok toch niets meer kunnen regelen met betrekking tot onze vlucht probe­ren we vandaag nog een bus te regelen naar Koh Samui. Alle bussen en treinen blijken bij de talrijke reisbureaus volgeboekt te zijn. Ik ga het tenslotte met weinig hoop nog proberen bij het busstation zelf. De tuk-tuk, een overdekte driewieler met bromfiets­motor, doet er 45 minuten over door het drukke verkeer. We staan meer stil dan we rijden, maar als we rijden wordt er ook echt gereden en door elk gaatje tussen de auto's door gescheurd. Bij de bustermi­nal kan ik de hand leggen op de laatste vrije kaarten. Als ik terug ben vertelt een meisje net aan Sabine dat er voor de komende dagen geen bustickets meer te krijgen zijn naar Koh Samui in verband met het Chinese nieuw­jaar. We zijn nu helemaal blij dat we vanavond al het stinkende Bangkok kunnen verlaten.

Als we door de "farang" (vreemdeling) straat lopen denk ik eerst Emely van mijn Zuid-Amerika reis te zien lopen, maar ze is al verdwe­nen eer ik haar goed kan zien. Twee minuten later is het wel raak en zie ik Peter, mijn reisleider van de Zaïre reis, achter een bak koffie zitten. Hij is nu zelf op reis en komt net uit India, Nepal en Pakistan. Nu is hij op weg naar Hong-Kong en komt over 7 weken na een China rondreis terug in Nederland en is dan ca. 5 maanden weg ge­weest. Hij reist nu alleen. Zijn vriend is in India aan een vrouwtje blijven plakken. Wat een toeval hem hier tegen te komen.

Als we in de taxi naar de Koh Samui-bus zitten hebben we een klein jubileum. Sabine is voor de 10e keer iets vergeten. Ditmaal een zak met cas­set­tebandjes en vanmiddag gekochte lakenzak. De vorige 9 maal zag ik het nog, maar nu is het echt weg. De bus is stipt op tijd. We hebben de rotste plaatsen. Achterin en als enigen zonder vliegtuig­stoelen. Maar, we gaan tenminste richting zon en laten de smog ver achter ons.

 

Zaterdag 13 Februari      Koh Samui

We hebben voor de derde nacht in successie geen oog dicht gedaan. Om 6.30 zijn we in Surra­tani. Hier vandaan vertrekt de boot naar Koh Samui, het paradijs op aarde als je de folders moet geloven. De boot is overvol. Als we denken dat er echt niemand meer bij kan moeten er eerst nog een groot aantal laatkomers, die met speed­boten bij de al varende boot gebracht worden, er bij gepropt worden en vervolgens moeten er tot onze verbijstering bij de monding van de rivier nog eens twee busladingen aan boord. Het is een heel gedoe, maar ik zit al lekker met mijn benen over de railing te genieten van het Thaise rivierle­ven. De oversteek naar het eiland duurt ca. 2 uur. Het is een beetje bewolkt, maar ik weet deson­danks behoorlijk te verbranden. Voor het eerst van mijn leven zie ik een vliegende vis. Wat ma­ken deze vissen een zweefduiken!

Op het eiland duiken we meteen de bar in en nemen twee enorme glazen sinaasappelsap. Als ik er net zo rot uit zie als Sabine is het niet best met me. We hebben drie nachten zo goed als niet geslapen. In het postkantoor haal ik bij de poste restante de kaart van Martha op. Ze zit ergens in het noorden. Van een bungalow houder krijgen gratis vervoer naar zijn bungalows, die vlak bij Martha's verblijfplaats staan. Aangekomen bij Bhoput beach nemen we een soort wig-wam hut voor maar 30 Baht (¦2,40) per nacht. Na een heerlijke douche loop ik er weer herboren bij en ga op mijn gemak het thuisfront van wat leesple­zier voorzien. Tussen de bedrij­ven door speel ik een paar potjes snooker met Took, het meisje van deze tent.

Tegen de avond zoek ik Martha op. Ze zit op een stil stukje strand zo'n 5 minuten lopen vanaf mijn guesthouse. Tot mijn verbazing ver­veelt ze zich een beetje en heeft zo goed als geen kontakten gelegd. Ze is duidelijk blij me te zien. Ze heeft voor hetzelfde geld een veel betere bungalow, maar voor de rest is het maar niets. Geen dou­che, een modderstrand en geen conversatie­ruim­te. Ik blijf dus maar in mijn eigen wig-wam, zeker nu ik in mijn guesthouse een paar leuke kontak­ten heb gelegd. Ik heb vanavond een enorme vis besteld die we met z'n drieën nauwelijks op kun­nen. De avond brengen we door met kaarten. Sabine is een gehaaide tante en wint de meeste potjes poker, boerenbridge en toepen. Als we naar bed willen blijkt onze slaap­plaatst ingenomen te zijn door grote kakkerlakken, torren en mieren. Na gegil van Sabine zijn ze verdwenen.

Zondag 14 Februari      Koh Samui

De oorspronkelijk voor deze dag geplande duiksa­fari gaat wegens gebrek aan belangstelling niet door. Het is te duur om met maar acht mensen een vissersboot te huren. Er bleef ook niet ge­noeg voor orga­nisator Tom, die alles 'great' en 'fine' vindt, aan de strijkstok hangen. Vervolgens wil ik als alternatief een jeep huren en Took als gids mee nemen. Gisteren hebben we het bespro­ken en ze vroeg toen 500 Baht. Nu wil ze eerst 100 Baht fooi en als ik daar lachend mee ak­koord ga zegt ze plotseling een officiële gids te zijn en vraagt 200 Baht. Als ik met mijn stomme kop 700 Baht pak en wil betalen zegt ze dat ik het ver­keerd verstaan heb en het 800 Baht kost. Ze kan nu de boom in en na een scheldkanonnade hoef ik helemaal niets meer van haar te hebben en besluit hier met uitzondering van de bungalow­huur geen cent meer uit te geven.

Met Martha huur ik nu in het dorp maar een paar sportfietsen. Ik moet ze wel eerst zelf repareren en de versnel­ling  bij stellen. Het is 17 kilometer naar Nathon, de hoofdstad van het eiland. Het is heuvelach­tig en diverse malen moeten we van de fiets af. Langs de weg nemen we één van die heerlijke vruchtenjuces. Ik bestel ook een panne­koek. Ze begrijpen me verkeerd en proberen 20 minuten tevergeefs een sinaasap­pel pannekoek te maken. Na twee misluk­kingen maken ze maar een gewone pannekoek en leggen er wat sinaasap­pelschijfjes op. In Nathon brengt Martha haar foto's bij een moderne 1 uur service ontwikkelcen­trale. Het zijn mooie foto's geworden van hoge kwaliteit. Bovendien is het erg goedkoop.

Als we langs één van de vele jeep verhuurplaat­sen lopen ding ik voor de gein wat af en even later heb ik een jeep voor 2 maal 24 uur. Het kost 800 Baht (¦64,-) all in. Fietsen in de jeep en op naar de water­vallen. Op de dirttrack naar boven blijkt een gat wat dieper dan gedacht en zit ik muurvast. Drie Thaise mannen duwen me los. De waterval zelf is niets bijzonders. Het water onder de waterval zit vol met vissen die mas­saal brood uit je hand eten. We maken een rondje om het eiland. Overal palmen langs de kuststrook en een ontoe­gankelijk bergland­schap met oerwoud tegen de flanken in het midden van het eiland.

's Avonds hebben we een speciaal visdiner. Mart­ha eet in de stad zodat ik alleen met Sabine ben. Het is erg gezellig en we hebben onder het genot van punch en lekkere gerechten hele diepgaande ge­sprekken.

Maandag 15 Februari      Koh Samui

Met de jeep maken we vandaag een rondrit over het eiland. Eerst rijden we naar het dorp om wat dingen te regelen en gaan vervolgens naar de Hin Lad waterval even buiten Nathon. Het is een veel mooiere dan die van gisteren. Eerst moeten we 1 km door het oerwoud klimmen. Hierin zien we naast talrijke grote en kleine vlinders ook een enorm spinneweb met een grote geel gevlekte spin in het midden. Bij de waterval zwemmen we wat in het meertje. Weer beneden eet ik voor het eerst met stokjes. Gebakken noodles lenen zich daar uitstekend voor. Na een uurtje rijden we verder naar een afgelegen uithoek van het eiland. Bij een schitterend strand stoppen we. Het lijkt hier wel het strand uit de bounty reclame, zo mooi en stil is het. Met de gehuurde snorkeluitrus­ting proberen we het koraalrif te bereiken, maar door de lage waterstand blijven we steken op wat dood koraal. Ik probeer toch deze hindernis te nemen, maar nadat ik mijn vinger diep open haal geef ik het ook maar op. De zee vlak onder de kust is weliswaar geen koraalrif met scholen vis, maar toch wel leuk te zien. Een soort maanvissen en kleine zwarte vissen laten zo af en toe hun gezicht zien. De hele bodem is bezaaid met zee­komkommers. Ze lijken op enorme zwarte drollen van 40 cm. Als je in zo'n zeekomkommer knijpt pompt het zich helemaal vol met water en spuugt het een kleverige massa uit. Mijn hand zit hele­maal onder en het is er haast niet vanaf te krij­gen.

Rond drieën verlaten we dit kleine paradijs en rijden naar Chaweng beach, bekend om zijn 5 meter hoge golven. Vandaag blijken ze maar 5 cm te zijn. Het strand is vol toeristen, maar des­ondanks zo mooi dat ik spijt heb niet direkt hier heen gegaan te zijn. Als de traditione­le vaas met vruchtensap achter de kiezen zit is het bijna don­ker. Desondanks nemen we de binnenweg terug naar Bhoput. De jeep komt nu pas goed tot zijn recht. Diepe kuilen en steile hellingen neemt hij zonder moeite. Na 10 kilometer komen we in aardedonker weer bij de asfaltweg. Sabine zat peentjes te zweten naast me als we weer een steile helling vol gaten op moesten, terwijl Martha het wel leuk vond, al was het alleen maar om naar het gezicht van Sabine te kij­ken. De schim van Big Boeddha op een eilandje voor de kust is nog goed te zien.

's Avonds proberen we de magic mushrooms, paddestoelen met hallucine­rende bijwerking. Meer dan vrolijk kaarten we wat in Martha's thee­huis. Het is grappig de reaktie van de Thais te zien. Ze weten wat er aan de hand is en lachen begrijpend met ons mee. We hebben met z'n drieën één portie genomen. Ik word er een beetje licht van in mijn hoofd en ook een stuk vrolijker, al werkt al dat lachen behoorlijk aanstekelijk en lach je soms maar wat mee. Na 1½  uur lijkt het net alsof er een knop omgedraaid wordt. Zo van 'en nu is het over', en dat is het ook voor mij. Met Sabine gaan het aanvankelijk net zo, maar als we terug lopen naar Smile guesthouse en we even naar een Thais theaterstuk op TV kijken zie ik haar goede bui plotseling omslaan in een enorme depressie die de hele nacht zal duren. Tot één uur schrijf ik een hele sloot kaarten. Wat een werk. Geen won­der dat ik het meestal maar vergeet.

 

Dinsdag 16 Februari      Koh Samui

We worden rond zes uur opgeschrikt door enor­me knallen. Het is de inluiding van het Chinese nieuwjaar met rotjes. Het feest duurt vier dagen. We zijn door de Chinees van Martha's theehuis uitgenodigd het bij hem te vieren. Het begint om 10 uur met een eigen gebrouwen en erg sterke whisky op de nuchtere maag. Vervolgens worden we over­stelpt met voedsel. Bakken vol met kip, varkensvlees, rijst, groenten en diverse Chinese gerechten worden we geacht naar binnen te slaan. Wij vinden het onbeleefd eten te laten staan en proberen alles op te eten, maar nadat een schaal half leeg is komt er al weer een nieuwe. Ik ben dus helemaal vergeten dat je altijd wat moet laten staan. Anders denken ze dat ze niet genoeg gegeven hebben aan de gasten en blijven voedsel aanrukken. We verwachten de hele dag feest te vieren, maar na het eten trekt iedereen zijn werk­kloffie weer aan en gaat gewoon aan het werk. Vreemd, want haast alle Chinese winkels zijn deze hele week gesloten. We gaan maar een paar uur eerder naar Nathon om de jeep terug te brengen. Nathon is een druk dorp vol met op de toeristen gerichte winkels.
's Avonds eten we weer in het dorp en eten weer voortreffelijk in ons tentje van gisteren. Na de voortreffelijk bereide inktvis van giste­ren heb ik vandaag een stuk haai dat haast niet op mijn bord past.

 

Woensdag 17 Februari     
Koh Samui - Marine eilanden

Vroeg op, want de boot naar het Marine National Park vertrekt vanaf de andere kant van het eiland al om 8.30. Deze dagtrip brengt ons naar een op 31 kilometer liggende eilandengroep. Omdat het potje back-gammon wat lang duurde gaan we pas vlak voor achten weg. Geluk­kig krijgen we een lift van twee Thaise meisjes, want er is in geen vel­den of wegen een taxi of bus te bekennen. Vlak voor 8.30 komen we als één der laatsten bij de tot onze ontzetting met ca. 150 mensen volge­propte boot. Desondanks hebben we het beste plekje. We klimmen namelijk door een raam en komen zo op het voordek. Helaas volgen velen ons voorbeeld en is het ook hier spoedig overvol. Wij zitten natuurlijk wel eerste rang. Onderweg krijgt iedereen een bekertje cola. We zien ze er zoveel ijs in gooien dat er meer dan 20 bekertjes uit een literfles kunnen! Met veel plezier kijk ik naar de vele vliegende vissen, die secondenlang over het water scheren.

Na twee uur varen komen we bij de groene eilan­dengroep. Er groeien in tegenstelling tot Koh Samui zo goed als geen palmen. Op één van de eilanden wordt de horde los gelaten en als een groep mieren klauteren we naar de top van het eiland. De klim is steil en het vulkanisch gesteente heeft vele verraderlijk scherpe punten. Na 1½ uur ploeteren in de hitte kom ik boven. Het uitzicht is schitterend. Je kunt de hele archipel zien liggen. Naar beneden is het best gevaarlijk, vooral op de wegglijdende slippers die haast iedereen aan heeft. Terug aan boord moeten sommigen aan behoorlijke vleeswonden geholpen worden. Na twee uur varen we naar het volgende eiland. Ik zwem vanaf de boot naar de kust in de hoop wat vissen te zien, maar het water is daar niet helder genoeg voor. Na een korte klim komen we bij een zout binnenmeertje. Hier zwemmen we wat en zien 'vieroog' vissen. Deze vissen zwemmen vlak onder het wateroppervlak met hun ogen voor ene helft onder en de andere helft boven water. Als ik achter wat van deze vissen aan zit vergeet ik de scherpe punten onder water en bezeer me voor de tweede maal vandaag lelijk aan mijn voet. Alleen mijn rechter hand zit nu nog niet onder de pleisters. Om zes uur zijn we terug van de trip. We hadden er iets meer van verwacht. Wat meer vogels en andere dieren en vooral ook betere snorkel mogelijkhe­den.

Na een haai-steak gaat Martha naar bed en vieren Sabine en ik onze laatste avond. Ik win zowaar een paar potjes back-gammon. De avond krijgt een onverwachte wending als Guy, een geflipte Engelsman, en één of andere vervelende Ameri­kaan bij ons komt zitten. Twee maf­ketels eerste klas. De Amerikaan is ladderzat en kan zo de prijs ophalen van asehole van het jaar (Met algemene stemmen gekozen). Guy is een aardige gozer, die veel geld heeft gespaard en nu voor onbe­paalde tijd er op uit gaat de wereld te ontdekken. Helaas waren zijn landgenoten hem al honderden jaren voor, tot zijn grote frus­tratie. Als er plotseling een zeldzame neushoornkever opduikt en ik hem pak om iedereen te laten zien hoe bijzonder het dier is vlucht Sabine naar een andere tafel. Een goede aanleiding voor mij om ook te ver­kassen en de Amerikaan alleen te laten. Hij valt even later in slaap. Tussen het snurken door horen we hem af en toe 'I don't care' en 'fuck them all' mompelen. Tot over drieën wordt er driftig over alles en nog wat gediscussieerd.

 

Donderdag 18 Februari      Koh Samui

Om zeven uur ben ik al weer op om Martha te zeggen dat mijn voet te zeer doet om vanmorgen naar Big Boeddha te lopen, ongeveer 5 uur over het strand. Als ik rond negenen weer terug ben in mijn eigen guest­house is iedereen nog in diepe rust. Het was de bedoeling met de mensen van gisteravond te gaan windsurfen, maar op de afge­sproken tijd ligt iedereen m.u.v. Sabine nog op één oor. Met haar speel ik tot 11 uur dan maar ontelbare afscheids snooker en back-gammon games. Ik zal deze spelletjesmaniak de komende tijd missen.

Sabine en Guy brengen ons naar de boot die ons naar het vasteland moet brengen. Deze boot is groter dan de vorige en alhoewel we als één van de laatsten instappen hebben we nog een zit­plaats. Twee uur later zijn we in Surrattani. Hier eten we in afwachting van onze bus bij een stalle­tje langs de weg. Uit een bak eten we een grote ver­schijdenheid aan meestal scherp smakende blaadjes en takjes. Martha lijkt een keel van lood te hebben want alles gaat er zonder problemen in, terwijl ik er soms de grootste moeite mee heb. De bus is een stuk beter dan die vanaf Bangkok. Leuningen naar achteren en lekker pit­ten, de hele nacht door!

 

Vrijdag 19 Februari      Bangkok

Voor zessen zijn we al in Bangkok. Alles gaat nu op super-budget. Geen tuk-tuk of taxi meer, maar de bus voor 2 Baht (16 cent). Het is al redelijk druk in de stad op dit tijdstip. Overal zie je bedel­monniken die 's ochtends hun kostje voor deze dag bij elkaar moeten zien te bedelen. Half zeven zijn we weer in Kao San road. We moeten 1½ uur wachten eer we een bus naar Chiang Mai, in het noorden van Thailand, kunnen regelen. Het is een koopje. Een airco bus en een gratis overnachting voor maar 170 Baht (¦15,-). En dat voor een trip van meer dan 700 km!

Bij de Tarom laat ik nog een keer mijn neus zien bij de man die de 'stand-bye' plaatsen aanwijst. Op de stoep zit een Engelsman die voor de derde maal in successie niet kan vliegen en door al zijn geld heen is. Door middel van een sit-down aktie waarbij hij iedereen vertelt hoe slecht de Tarom is probeert hij alsnog een ticket voor vanavond af te dwingen.
We hebben een hele dag in Bangkok. We lopen richting Chinatown, de Chinese wijk van Bangkok. Onderweg komen we langs het gigantische paleis. We kunnen niet naar binnen aangezien Martha met haar korte broek, ruime T-shirt en zonder BH niet proper genoeg gekleed is. Een monnik schiet zelfs uit zijn rol met een diep uit zijn hart komend 'bah!'. In Chinatown worden we door een Chinese vrouw benaderd, die ons per boot naar de drij­vende markt wilt brengen. We hebben tijd zat en vinden een boottochtje ook wel leuk dus varen we even later met een motorboot door de klongs van Bangkok. De markt is zoals verwacht nauwelijks de moeite waard. Ontelbare boten vol toeristen die afkomen op de door de regering betaalde vrouwen die in roeibootjes met hun koopwaar (vnl. coca-cola) rondvaren. We smeren hem maar meteen en laten ons twee uur door de klongs varen. Er is haast geen verkeer meer over de klongs. Vroeger ging nagenoeg alle verkeer over deze nu verlaten klongs. De woningen aan het water verschillen enorm. Gigan­tische bungalows met zonnepanelen op het dak staan vlak naast uit roestige golfplaten opgebouwde krotten. De meeste huizen staan op palen om het verschil in waterstand op te vangen.

Terug in Chinatown worden we helemaal opgeno­men in de grote bedrij­vigheid. Overal staan stalle­tjes met kleding, voedsel, bloemen en weet niet wat. Van de bloemen vlechten ze hele kunstwer­ken. Haast elke Boeddhist heeft wel één of meer­dere bloemenkransjes thuis of in de auto hangen. De lotusbloemen ruiken heerlijk.

's Avonds gaan we met de nachtbus naar Chiang Mai. Eerst worden we samen met andere toeristen in een overvolle truck naar de bushalte gebracht. Het is een ware puinhoop en met 1½ vertraging vertrekken we uiteindelijk naar Noord-Thailand. Met m'n stomme kop ga ik naast Martha achter in de bus zitten. Zij vindt het lekker achterin, maar ik doe op de niet klapbare stoelen geen oog dicht. Van een Hollander krijgen we een gouden tip. Ergens tussen Pai en Mae Hong Son, het gebied dat ik toch al wilde verkennen, moet zeven kilo­meter lopen bergop vanaf de weg een Australier vlak bij een grot wat huisjes verhuren. Er zijn verschillende bergstammen op loopafstand en deze Australiër schijnt ook allerlei tochten te orga­niseren. Het staat bovendien in geen enkel hand­boek, zodat het lekker stil is.

 

Zaterdag 20 Februari      Chiang Mai

Om 8.15 in de morgen kom ik gebroken aan in Chiang Mai. Chiang Mai is de tweede stad van Thailand. Het heeft echter slechts 100.000 inwo­ners (Bangkok: 4 miljoen !) en ademt dan ook een provinciale sfeer uit. Het is officiëel het begin van de regentijd, maar aan het dorre landschap kunt je zien dat het al maanden niet geregend heeft. Met de songthaew, een collectie­ve taxi, laten we ons naar het bij het bus­ticket inbegrepen guesthouse brengen. Het guesthouse ligt wel wat afgelegen, maar is lekker rustig. De kamer is vergeleken met vorige kamers één grote luxe. Weliswaar staat er alleen maar een bed, een kast en een ventilator in, maar je kunt je omdraai­en zonder je tenen te stoten.

We gaan meteen de stad in om ons te oriënteren op de mogelijkheden voor een trek naar berg­stammen. Meteen al een teleurstelling. De Pa­doung stam, de 'giraffenekvrouwen', zijn door opstandige Karen verjaagd naar een plaats diep in Burma. Van de ca. 150 Padoung zijn er nu nog 4 over om de toeristen een poot uit te rukken. Er moet eerst behoorlijk betaald worden om de Bur­mese grens over te gaan aan het opstandige Karen leger dat het gebied onder kontrole heeft. Vervolgens vragen deze vier Padoung ook weer een smak geld en moet je na 10 minuten al weer weg. Alles bij elkaar komt het op enkele hon­der­den guldens voor een waarschijnlijk frustrerend uitstapje. Erg jammer, aangezien deze stam mijn hoogtepunt van de reis had moeten worden. Er kan in korte tijd erg veel veranderen. Een jaar geleden had nog niemand van deze stam ge­hoord en nu worden ze al kompleet uitgebuit.

We lopen heel wat organisaties af. De één heeft weer wat anders te bieden dan de ander, maar allemaal gaan ze over platgetreden, zo niet uitge­sleten paden. Ook het idee met 12 anderen een dorp binnen te vallen bevalt me alleszins. Één toer bevalt ons wel, maar heeft als nadeel dat er enkel gelopen moet worden. De meeste dagen zelfs 6 à 7 uur per dag en het is de vraag of mijn geblesseerde knie het houdt. Bovendien is een stukje raften (met een vlot) en een etappe per olifant wel zo aardig, al zijn deze tochten meestal afschuwelijk toeristisch. We besluiten eerst naar Cave-lodge, de plek van de Australiër, te gaan en afhankelijk van de daar gemaakte tochten hier in Chiang Mai een tocht uit te zoeken van ca 5 da­gen.

Rond drieën nemen we de bus naar Doi Suthep, een Boeddhistisch hei­ligdom hoog op een berg even buiten de stad. We nemen de verkeerde bus en verzeilen aan de andere eind van de stad zodat we beter hadden kunnen lopen. Eenmaal bij Doi Suthep aangekomen moeten we eerst een trap op. Driehonderd treden, al is dat niets verge­leken bij de 1840 van Mihintale in Sri Lanka. De trap is een attraktie apart. De leu­ning stelt een enorme slang voor die aan het uiteinde een zeven koppige draak uit zijn mond heeft hangen. Boven staat de tempel, waar ik met mijn korte broek niet in mag. Wel mogen we door de woonver­blijven van de monniken lopen. Ze leven sober, maar toch veel luxueuzer dan ik had verwacht.

Chiang Mai is een rustiger stad dan Bangkok, maar met zijn 100.000 inwoners nog net iets te druk voor me. Het is ook een redelijk moderne stad. Betere huizen, bredere straten, modernere winkels en zo goed als geen stalletjes langs de weg. 's Avonds eten we maar in ons guesthouse zodat we meteen af kunnen rekenen en morgen vroeg kunnen vertrekken.

 

Zondag 21 Februari    
Chiang Mai naar Cave lodge

Het is haasten vanmorgen. Eerst naar de bank om te wisselen. Deze gaat pas om 8.10 open en als dan ook nog de hele papierwinkel er aan te pas komt moet de tuk-tuk chauffeur zich helemaal uit de naad rijden om ons op tijd bij de bus naar Pai af te zetten.

Het is een schitterende tocht. We hebben vele vergezichten over het dicht begroeide landschap. Het is wel vreselijk dor, terwijl we pas in het begin van de droge periode zijn. We doen er naar Pai precies vier uur over. En dat voor maar 130 km. Onderweg stoppen in een Lisu dorp. De kinderen zijn traditioneel gekleed in felle effen kleuren. Deze weg van Chiang Mai naar Mae Hongsong in het westen aan de grens met Burma is er nog maar pas. Het laatste stuk is zelfs nog in aan­bouw. De weg heeft dit gebied bloot gelegd en de verwestering heeft zich met volle kracht inge­zet. In Pai stappen we uit en nemen in afwachting van de bus naar Soppong een hete Thaise hap. Veel eten doen we niet want als er net een paar happen naar binnen gewerkt zijn komt er een pick-up truck langs en gaan we hals over kop mee. Ondanks de korte afstand van maar 30 km zorgt de onverharde weg er voor dat we na 1½ uur zandhappen er uit zien als een beest. Vanaf Soppong is het 7 km lopen naar de hutjes van de Australieër. Als we net bepakt zijn en ons opma­ken voor de zware klim komt er een auto langs en krijgen een lift naar boven. Dit pad wordt maar eens in de paar dagen bereden. Wat een timing! Er zitten 20 mensen in en op de auto en het is goed vasthouden geblazen om er niet af gebumpt te worden. Soms moeten we uit de auto omdat de helling te steil is. Onderweg komen we die ook naar Cave lodge gaan. Met enige moeite worden de van het zweet door en door natte Nieuw-Zee­landers er bij gepropt.

Ons einddoel, Cave Lodge, overtreft al onze ver­wachtingen. Het is opgezet door John Spies, een ervaren en bekend trekker, en zijn Thaise vrouw. Het staat in geen enkel handboek omdat hij dit gebied zoveel mogelijk vrij wilt houden van toeris­ten. De klim van 7 km houdt de meeste mensen toch wel op een afstand. Alleen de 'echte' trek­kers krijgt hij zo over de vloer, zegt hij. Verder moet hij het hebben van mond op mond reclame. Een echte idealist. Met lede ogen ziet hij door de nieuwe weg het gebied de laatste jaren sterk veranderen en het einde is nog niet in zicht. Voor­al het massaal wegkappen en platbranden van het oerwoud door 'immigranten' doen hem zeer.

We hebben een gigantische eigen hut met uitzicht over het dal. Hier houden we het wel een tijdje uit. Ontbijt en diner worden in groeps­verband genuttigd. Vegetarisch, maar voortreffelijk eten. Vanavond eten we vegetarische pizza met soep vooraf en toetje toe. We leggen wat kontakten en spreken af morgen met een kleine groep naar een Lahu dorp in de buurt te lopen.

Het gebied is hier niet ongevaarlijk. Overal zie je mensen (ook kinderen!) met geweren lopen. Bur­ma is vlakbij en daar is het Karen leger aktief. Ze hebben zelfs een onafhankelijke staat uitgeroepen. Sommige wegen richting Burma zijn ondermijnd. Vorige maand is een hier logerend meisje dat alleen op stap was in de buurt verkracht en ver­moord. Desondanks heeft dit gebied veel aantrek­kingskracht op reizigers. Er zijn vele bergstammen op loopafstand. Bovendien is de natuur bijzonder mooi en zijn er diverse spectaculaire grotten in de buurt.

 

Maandag 22 Februari    
Cave lodge - Tocht naar Red Lahu stam

Met z'n zessen lopen we richting een Red Lahu dorp. Het smalle pad is lastig te volgen en er zijn bovendien vele zijpaadjes. De getekende kaart van John is alles behalve duidelijk. Het is goed heuvelachtig en na twee uur gaan Alan, Dorethy en Linda vermoeid al weer terug. Het eerste stuk loopt min of meer langs de rivier, maar als we ergens van de rivier af moeten is het gissen welk pad we moeten hebben. Na drie uur zien we het dorp op een heuvel liggen en na enig zoekwerk vinden we een pad naar boven.

In het dorp aangekomen bekijken we de boel eerst vanaf een afstandje. Het is in het heetst van de dag en de meeste mensen zijn binnen. Als we wat onwennig door het dorp lopen worden we door een gezin in hun primitieve paalwoning uit­genodigd. An, een Amerikaanse van Japanse oorsprong, spreekt een paar woordjes Thais. De Lahu hebben hun eigen taal en kennen net zoveel Thais als An zodat er alleen maar een beetje heen en weer gelachen wordt. In de hut zit en ligt de hele familie opium te roken. De meesten zijn knet­ter stoned. Veel, zo niet alle mensen in deze streek zijn verslaafd aan de opium. Ze roken wel 100 pijpen per dag! In sommige gevallen is het zo erg dat pasgeboren kinderen pas gaan slapen nadat er wat rook in het gezicht is gebla­zen. De videokamera vinden ze machtig interessant. Ik laat ze in de draaibare zoeker kijken waardoor ze zichzelf kunnen zien. Ze hebben helemaal niet in de gaten dat ze dan gelijk opgenomen kunnen worden. Met foto's nemen hebben echter grote problemen. Het bezoek eindigd abrupt. Als ik mijn voet van een schoon verbandje voorzie denken ze dat ik een dokter ben en vragen of ik even een kind met een dik oog kan genezen. Door de taal­barriere kan ik ze niet duidelijk maken dat ik daar geen verstand van heb en om complicaties te vermijden gaan we er maar snel vandoor.

De terugweg is behoorlijk zwaar. We nemen een andere route waarbij we heel wat moeten klimmen en behoorlijk wat kilometers  moeten afleggen in de brandende zon.Onderweg komen we een pro­visorische uitkijkpost tegen vanwaar je tot ver in Burma kunt kijken. Het Lahu dorp is het meest noordelijke dorp waar je zonder risico naar toe kunt. Verderop zit het onberekenbare Karenleger. We komen ook een nauwelijks verscholen papa­verveld tegen. Door de zaadbollen in te kerven scheidt de plant een melkachtig wondvocht af. Dit is de ruwe opium die later verwerkt kan worden tot heroïne.

Als we laat in de middag terug zijn in Cave Lodge zijn we haast uitgeput. De ijskoude douche verkla­ren we ter plekke heilig. Na een uurtje zijn we weer bij de mensen en lopen naar grot. Elke avond keren ca. ½ miljoen zwaluwen terug naar hun nachtverblijf, de grot. Meer dan een half uur ziet de lucht zwart van de vogels. Door deze vogelinvasie moeten de in de grot verblijvende vleermuizen de wijk nemen. We zien er wel een paar uit de grot komen, maar de hele zwermen waar John het over had kunnen we niet ontdek­ken. De hele grot stinkt naar vogelpoep. De bo­dem van de grot is één grote vogeltoilet.

's Avonds zitten we met een groepje rond een enorm houtvuur dat behalve dat het voor gezellig­heid zorgt ook de muskieten op een afstand houdt. We wisselen reiservaringen uit en spelen een paar potjes kaart.

Dinsdag 23 Februari     Cave lodge - de grot

Vandaag hebben we een rustdag. Nadat ik de was heb gedaan lig ik enkele uren languit in de hangmat. Boek en heerlijke passievruchtsap bij de hand. John heeft diverse artikelen geschreven over dit gebied die ik met veel plezier lees.

In de namiddag huren we een lamp en gaan de grot 'Tomlod' in. Het is een redelijk grote grot. Er stroomt een rivier door en als je die maar blijft volgen kom je vanzelf bij de uitgang. De grot is zo'n 800 meter lang. Het is wel spannend met maar één lampje de mooiste plekjes van de grot te ontdekken. Geen hekken, borden of elektrische verlichting. Heel indrukwekkend zijn de enorme pilaren die soms tot het plafond reiken. Tot mijn verbazing bevinden zich in de grot ook kalkterras­sen. Pamukkale in Turkye claimt de enige ter wereld te zijn met deze terrassen, maar hier ver weg en verscholen in een grot heb je ze ook! We moeten vier maal door het snel stromende water waden. En dat met alleen een olielampje om het bij te lichten. Na anderhalf uur zijn we bij de uit­gang. We klimmen tot vlak onder het plafond en wachten daar op de binnenkomende vogels. Je kunt het vanaf deze plaats goed zien. Ook de vleermuizen zijn nu te zien. Als we haast bekogeld worden met vogelpoep smeren we hem maar weer uit de grot. Een unieke tocht.

 

Woensdag 24 Februari    
Cave lodge - tocht naar Lisu dorp

We willen vandaag naar een Lisu dorp. Eerst lopen we naar Soppong aan de weg. Naar dit kleine plaatsje komen de mensen uit de omgeving om inkopen te doen. Naast de gewone Thais zien we dan ook Karen, Hmong en Lisu. Elk in hun eigen traditionele kleding. Je kunt goed zien dat we vlak bij roerig gebied zien aan de vele Thais die met geweren lopen. Even denken we dat er oorlog is uitgebroken, maar het blijken kinderen te zijn die in de rivier op visjes aan het schieten zijn.
Vanuit Soppong lopen we een zijdal in. Na 10 minuten zijn we in het eerste Lisu dorp. Na een korte stop lopen we over smalle paden naar een stuk verderop gelegen Lisu dorp. Alle vrouwen en de meeste mannen zijn traditioneel gekleed in felle lichtgevende kleuren. Groen, blauw en paars zijn de meest gebruikte kleuren. Helen en Linda, die we onderweg tegen kwamen, hebben het na enkele minuten al gezien en gaan terug. Martha en ik blijven lekker zitten om de sfeer van dit prachtige dorp op ons gemak in te ademen. De kinderen komen het eerst op ons af. Je kunt dui­delijk zien aan deze schitterende mensen dat ze oorspronkelijk uit Tibet en Zuid-China komen. De kinderen vinden het prachtig zichzelf op de video te zien. Zoals overal ter wereld lopen de meeste kinderen met een enorme snottebel uit hun neus. De Lisu zijn knappe mensen met een strakke huid. Dit in tegenstelling tot de Thais, die meestal vreselijk pokdalig zijn. Ook in dit dorp lopen over­al blaffende honden en knorrende varkens rond.

Na een kwartiertje worden we uitgenodigd in het huis van de hoofdman. Het hele dorp is er tesa­men. Ze vieren vandaag het Lisu nieuwjaar, een feest dat drie dagen duurt en vandaag zijn tweede dag in gaat. Er is een varken geslacht en de vrou­wen zijn druk bezig er wat moois van te maken. Eerst krijgen we een eigen gebrouwen en sterk alcoholische drank aangeboden. Het is maar goed dat we niet weten hoe deze is gemaakt gezien de spuugresten en andere onbekende bestanddelen in onze mok. Vervolgens wordt er een tafel met eten voor ons gereed gemaakt. Op het menu staat rijst met varkensdarmen en een niet thuis te brengen hete brij, waarschijn­lijk lever met chilisaus. We proberen  het vriende­lijk la­chend met stokjes naar binnen te werken. Het smaakt best lekker. We worden uitgenodigd om te overnachten in het dorp. We weigeren aan de ene kant uit veiligheidsoverwegingen en aan de ande­re kant zien we er tegen op hier de komende uren te zitten zonder fatsoenlijk met de mensen te kunnen converseren. Als ik later op Cave lodge foto's zie van het unieke Lisu nieuwjaarsfeest heb ik hier behoorlijk spijt van.

Na een paar uur nemen we afscheid van deze aardige mensen en haasten ons naar beneden. We moeten nog een paar uur lopen naar Cave lodge en het is al laat in de middag. Onderweg maken we nog een ommetje naar een Hmong dorp. De vrouwen van deze uit Tibet afkomstige stam hebben hun haar in een grote knot op het hoofd. Haren die uitvallen worden ook in deze knot bewaard. We lopen even door het dorp, maar kunnen geen kontakten leggen. Over de verlaten oude weg, die gedeeltelijk overwoekerd is lopen we ongeveer 9 km bergop naar Cave lod­ge. Onderweg komen we prachtige grote en klei­ne vlinders tegen.

 

Donderdag 25 Februari     Cave lodge

Met Helen loop ik naar Soppong. Zij gaat verder naar Mae Hongson terwijl ik de andere kant op ga naar Pai om een motor te huren. Helen is al 1½ jaar onderweg. Over een maand vliegt ze terug naar Engeland om weer te sparen voor haar volgende reis.

In Pai huur ik een Honda 125cc voor 150 Baht (¦12,-) per dag. De tank gaat vol voor ¦5,-. Geen geld dus. We kunnen nu ook wat verderop gele­gen dorpen bezoeken. De weg naar Soppong is spectaculair. Je moet een pas over, waar vanaf je een prachtig uitzicht heb over de jungle van Noord-Thailand. Het zal niet lang meer duren eer ook dit gebied in cultuur gebracht is. De weg is slecht en de steentjes op de weg zorgen er voor dat je meestal niet harder rijdt dan 30-40 km per uur.
Helemaal verbrand ben ik na twee uur terug in Soppong. De laatste 7 km naar boven zijn 'real fun'. Vaak steil omhoog over de slechte weg vol keien. Ik lijk wel een rallyrijder. Het uitstapje heeft me een hele dag gekost. 's Avonds werk ik voor het eerst vandaag wat voedsel naar binnen. Ik heb niet eens honger en laat de helft staan. Na het eten vieren we Linda's verjaardag met een paar flessen mierzoete passievruchtwijn.

 

Vrijdag 26 Februari    
Cave Lodge - motor rondrit

We willen vandaag met de motor het grote rondje rijden via Yappanair en MaeLana, twee Lahu dor­pen. De motor is één grote ramp. Alleen kom ik nog wel de heuvels op, maar met Martha ach­terop vertikt hij het gewoon. Ze moet hele stukken omhoog lopen. Éénmaal slaat hij halver­wege een steile helling af en krijg ik hem niet meer aan de praat. Pas als er over mijn hele lichaam enkele millimeters zweet staat is hij zo vriendelijk het weer te doen. Ik ben dan wel enkele blauwe plek­ken en een vervelende brandwond (van de uitlaat) rijker. Des­ondanks zetten we toch door en berei­ken het Lahudorp Yappanair. Door alle ellende hebben we geen lust af te stappen en rijden door naar MaeLana. Veel mensen hier lopen nog in traditionele kleding. Ook hier zijn we niet tot enige aktie te brengen en rijden naar een Shan dorp even verderop. De Shan hadden tot 30 jaar gele­den een feodaal stelsel, kompleet met slaven. Hiervan is niets meer terug te vinden in dit nu snel verwesterende dorp. Na een hapje eten bren­gen we de hete uurtjes van de dag door in de schaduw bij een rivier aan de rand van het dorp. Na 1½ uur modderen we weer verder. Weer bij de weg aangekomen kunnen we weer lekker doorrij­den. Wel 35 km per uur! De hele motor hebben we vandaag ontregeld. Hij rijdt nu konstant met slippende koppeling. Het heeft als voordeel dat hij nu haast niet meer afslaat, al lijken we wel een overvliegende straaljager. De avond brengen we door met Frans en Helen uit Leiden. Ze hebben jaren gespaard voor deze reis van 8 weken naar Thailand en Nepal. Ze hebben een interessante tip. In het uiterste noorden moet een Lisu dorp zijn waar je kunt overnachten bij een Lisu familie. De zoon spreekt wat engels en laat je de hele omgeving zien.

 

Zaterdag 27 Februari     Cave lodge naar Pai

We besluiten vandaag te vertrekken en al vast naar Pai te gaan. Van daaruit is het makkelijker in één dag Thaton in het uiterste noorden te berei­ken. Eerst gaan we nog één maal de grot in. We zijn maar met z'n drieën en kunnen zo gemakke­lijker naar de diverse uithoeken van de grot. Nieuw is het bestijgen van twee gammele trappen, waarna we via nauwe gangen in schitterende kamers van de grot komen. Ook zien we dit keer ontelbare vleermuizen vliegen. Het is wederom een fantastische en spannende tocht.

In de lodge wachten we tot 1 uur tevergeefs op de auto die Frans en Helen uit Pai verwachtten. Ik ga nu eerst op de motor met de bagage naar Soppong en haal vervolgens de anderen één voor één op. Zo ver komt het echter niet want als ik voor de eerste maal weer naar boven rijd zie ik ze in een auto zitten waarvan ze een lift hebben gehad. In Soppong kom ik John Spies tegen. Hij is net terug uit Chiang Mai waar hij de afgelopen dagen is geweest in verband met het onderzoek naar de moord op het Australische meisje dat in Cave lodge logeerde. Als de andere drie met de pick-up truck naar Pai vertrekken rijd ik er met de motor achter aan. Ondanks de onwillige motor is het toch weer een lekker ritje met veel schitteren­de vergezichten.

In Pai breng ik de motor terug en neem met Mart­ha een lekker grote kamer. Met veel plezier bekij­ken we de tot nu toe opgenomen video­beelden. Er zit soms een flinke storing tussen, maar door de bank genomen is het resultaat meer dan be­vredigend. Vooral het hoogtepunt tot nogtoe, het Lisu dorp, staat er erg goed op. De hele avond loopt er een 'theeboy' rond die telkens de glazen bijvult. Hij heeft het maar druk met die Hollandse theeleuten.

 

Zondag 28 Februari     Pai naar Thaton

In twee etappes rijden we naar Fang. Vervolgens nemen we een pick-up truck naar Thaton. Thaton ligt in het uiterste noorden en is het startpunt van de populaire boottocht naar Chiang Rai. Sommi­gen laten voor ¦120,- een vlot bouwen en doen het stuk in drie dagen. Met de motorboot is het vijf uur. Op het ogenblik worden er drie vlotten gebouwd en het gaat razend snel. Binnen 3 à 4 uur is het gevaarte gereed. We komen hier ook de Engelse Helen van Cave lodge weer tegen.

 

Maandag 29 Februari    
Lisu dorp - bezoek Akha dorp

Voor we naar Chiang Rai varen willen we eerst een paar dagen in een Lisu dorp verblijven. Van Frans en Helen hebben we een kontaktadres gekregen. Vanuit dit Lisu dorp kun je naar Akha, Karen, Yao en Lahu dorpen in de omgeving. We worden met Assa in kontakt gebracht en komen al snel tot overeenstemming.

Voor we naar Laota, het Lisu dorp, gaan bekijken we eerst het stadje Thaton. Eerst naar de tempel op de heuvel. Er staat een enorme Boeddha die in het hele dorp te zien is. Er zijn veel monniken aan het werk en naar de stank te oordelen zijn ze een kapotte riolering aan het repareren. Een ou­dere monnik zet als een ware slavendrijver de jonge monniken aan het werk. Via de volkswijk lopen we terug. De mensen hebben net knoflook geoogst en het hele dorp is er maar druk mee. Overal zie je meisjes bundeltjes knoflook maken die vervolgens opgeslagen worden in uitpuilende schuren.

Om 11 uur stappen we in een pick-up truck en rijden naar het Lisu dorp. Deze weg is net nieuw. Tot voor kort kon je er alleen per boot over de Mae Kok rivier komen. Onderweg stappen twee kleurrijke Akha vrouwen in. Ze worden vooral gekenmerkt door hun muts vol zilveren munten. Deze muts houden ze dag en nacht op. Ook zie je ze altijd met een opiumpijp in de mond. De Akha zijn de papaver verbouwers van de gouden driehoek. Zelf zijn ze haast allemaal verslaafd. Ze verdienen haast niets aan de papaverteelt en behoren tot de armste groepen van het land. Vanaf de weg is het 20 minuten lopen naar het Lisu dorp. Het is een schitterend dorp. Iedereen loopt in traditionele kleding. Vooral fel blauw is erg populair. We slapen in Assa's ouderlijke huis. Meteen wordt er thee gezet en krijgen we een volle bak soep. We zijn al heel handig in het eten met stokjes en hebben het eten dan ook zo naar binnen. De familie bestaat uit vader, moeder en 8 kinderen. De kinderen variëren van 10 tot 30 jaar. Er wonen er nog maar 3 thuis. Het grappige is dat het verschil in leeftijd steeds twee jaar is. De ontbrekende schakels zijn overleden (vier), terwijl er één tweeling bij is.

Na de siësta lopen we naar een Akha dorp in de omgeving. Het is een apart dorp. De paalwonin­gen hebben een uitgebreid voorportaal, waar de Akha's zich lekker verpozen met hun opiumpijp. Het zijn geen vriendelijke mensen en laten ons kompleet links liggen. Alleen als we een fototoe­stel te voorschijn halen schijnen ze ons op te merken en

maken ons duidelijk dat ze daar niet van gediend zijn. Sommigen willen wel op de foto, maar daar moet dan wel voor betaald worden. De meeste vrouwen lopen met blote borsten. De kleren wis­selen ze maar eens per jaar tijdens het vrouwen nieuwjaarsfeest. Mannen en vrouwen vieren apart en op een andere datum nieuwjaar. Op een stil plekje in de schaduw laten we vanaf een afstandje het dorpsleven op ons inwerken. De vrouwen dragen allemaal een met munten versierde helm, een zwarte rok tot aan de knieën en zwarte enkel­banden. Onafschei­delijk is ook de houten opium­pijp die elke Akha uit de mond heeft hangen. De mannen hebben een lange zwarte broek en dra­gen het haar in één lange staart. Deze staart begint op de kruin en al het haar er om heen is weg geschoren. De waterput is het sociale ont­moetingspunt. Hier worden de kalebassen met water gevuld en het luie zweet weg gewassen. Ieder op zijn beurt. Tijdens het wassen houden ze de helm op en ze denken er ook niet aan de opiumpijp maar even uit de mond te halen. Een kind speelt met een bamboo stok waaronder een wieltje is bevestigd. Hiermee sjeest hij het hele dorp door. Een paar vrouwen zijn bezig rieten dakbedekking te vlechten. De meeste Akha's liggen echter knetter stoned in de hut. Ze zijn vaak zo verslaafd dat de rest van de familie, die vaak ook verslaafd is, deze persoon geheel moet onderhouden.

Na een uurtje klimmen we naar een watervalletje. Ze zijn bezig in de buurt de berg plat te branden en we moeten goed uitkijken niet door het vuur overvallen te worden. Na een lekkere douche onder de waterval gaan we terug naar het dorp. Met slippers is de klim naar het dorp een ramp. Ik glij steeds weg en bezeer me een paar keer lelijk. Martha is haar halve teen kwijt terwijl ik een lelijke vleeswond in mijn hand op loop. Onze gids Assa laat ons de diverse gewassen zien die hier ver­bouwd worden. Onder andere diverse groenten en planten die de felle kleurstoffen leveren voor hun mooie kleding.
We eten in een speciaal gastenvertrek. Rijst met varkensvlees, groenten en paarse patat. Vader Alipa speelt op drie primitieve instrumenten de deuntjes die hij de vorige week tijdens de nieuw­jaarsfeesten ook heeft gespeeld.

 

Dinsdag 1 Maart
Lisu dorp - naar papaverveld en Akha Burma

Het is steenkoud geweest vannacht. Twee dekens waren niet genoeg de koude te trotseren. We zijn zodoende al om 6 uur wakker. Door de dunne wanden horen we de mensen zich al opmaken voor de nieuwe dag. Het is nog pikkedonker als er speciaal voor ons ontbijt een varken geslacht wordt. Het helse kabaal van het stervende varken gaat door merg en been

Het duurt een tijd eer Assa zo ver is om met ons op weg te gaan. We gaan vandaag eerst een verscholen papaverveld opzoeken. Na een helse klim komen we bij een tussen riet verscholen veldje. Het is helaas niet het seizoen en het veldje staat er helemaal verdroogd bij. De zaadbollen, waar door zorgvuldige inkerving de zo begeerde opium vrij komt, bevatten nu alleen maar een soort sesamzaad. We moeten Assa beloven niet verder te vertellen dat we hier geweest zijn aange­zien de politie jacht maakt op dit soort veldjes. Verder valt er niet veel te beleven en we zijn al ver voor twaalven terug. Van 12 tot 3 liggen we net als alle anderen te luieren in de schaduw.

Als het koeler wordt krijgen we weer een flinke klim voor de kiezen. Als we tegen donker hetzelf­de pad weer afdalen zien we pas hoe steil het is. We hoppen even over de grens met Burma naar een Akha stam. Het is maar een gemeenschap van 8 huisjes. De meeste mensen zijn nog op het land aan het werk. De anderen liggen stoned in een hoek van de hut. Op wat spelende kinderen na is het erg rustig. Samen met Assa klim ik nog wat verder op zoek naar werkende Akha's, maar de akkers die hij weet zijn verlaten. Het uitzicht is echter schitterend. Frappant is de tegenstelling tussen het 'echte' oerwoud hier en de grotendeels gekapte en platgebrande Thaise bergen. Terug in het Akha dorp mogen we even een huis in. Een man en een vrouw zijn druk bezig een enorme joint op te roken. De man ligtbhelemaal uitgeteld op de grond. Water moeten ze halen bij een mi­niem stroompje buiten het dorp. Het wordt be­waard in bamboo buizen waar boven aan de zijkant een gat is gemaakt. Het dorp is niet hele­maal wat we er van hadden verwacht. Ik hoopte op een primitief Akha dorp, maar vinden hier een armoedig dorp dat kompleet in verval is. Oude tradities lijken overboord gezet te zijn. Sommigen hebben zelfs kleren van de Lisu aan.

's Avonds lopen we wat door ons eigen Lisu dorp. Het zijn aardige mensen en de mooiste die ik tot nog toe in Thailand ben tegen gekomen. Overal zie je spelende kinderen op straat. Met enkel een steen hebben ze veel plezier. Bij ons kijken ze nog chagrijnig als ze net het duurste computerspel hebben gehad omdat het er geen twee zijn. De bergen om ons heen staan allemaal in de brand. Ze pakken het wel erg grondig aan. Binnenkort is 80% van heel Noord-Thailand plat gebrand.

 

Woensdag 2 Maart
Tocht naar Karen, Yao en Lahu

Als ik op sta voel ik me zwakjes. Het ontbijt staat me ook tegen en met nagenoeg een lege maag gaan we op stap. Er staan 5 dorpen op het pro­gramma. Eerst komen we bij warmwater bronnen. Hier komt heet water van 92° C uit de aardbodem borrelen. Het stink er behoorlijk naar zwavel. Je kunt er binnen een paar minuten een eitje in ko­ken.

Via drooggevallen rijstvelden lopen we naar een redelijk groot Karen dorp. De Karen zijn met hun in totaal meer dan 250.000 mensen veruit de grootste bergstam van Thailand (54%). De Karen zijn onder te verdelen in vier subgroepen die elk hun eigen tradities en kleding hebben. We lopen dwars over de erven het dorp door. Niemand lijkt het erg te vinden. Thuis zouden we al een pitbull aan onze benen hebben bungelen. We genieten van de doodgewone huiselijke taferelen zoals het snijden van tabak, vlechten van touw, weven van kleding of het gewoon klaarmaken van de maal­tijd. Bij een weefster koop ik een net gereed ge­komen sarong. De Karen zijn traditionele geen opium ver­bouwers, maar leven van de landbouw. Het is hierdoor een relatief rijk volk. Veel Karen bezitten één of meerdere buffels, dat de status en rijkdom van deze familie symboliseert. We komen ook een georgani­seerde trek tegen. Met z'n twaal­ven overvallen ze het dorp en zij na het nemen van de nodige plaatjes meteen weer vertrokken. Brr wat afschuwelijk. En daar betalen ze nog grof geld voor ook.

Via een een vrijwel verlaten Yao dorp, ze zijn op het land, komen we bij een Black Lahu dorp. De Lahu zijn de minst interessante bergstam. Ze dragen onopvallende kleding die ze bovendien alleen bij feesten dragen. Het zijn traditionele opium verbouwers, maar gaan de laatste jaren steeds meer over naar de gewone landbouw.

Na de siësta lopen we naar een kleinere Lahu nederzetting. Vanuit dit dorp hebben we een schitterend uitzicht over de Kok-rivier. We worden uitgenodigd bij iemand te schuilen tegen de zon. Het is er een drukte van jewelste. Iedereen wil ons zien. Een oude man zit in een hoekje driftig aan zijn waterpijp te lurken. Na het nuttigen van een paar bananen houden we het voor gezien en lopen terug naar het Yao dorp.

Onderweg lopen we bijna over een ca 1,5 meter lange slang heen. Nog voor ik hem op de foto kan nemen is hij al verdwenen in een gat langs de weeg. Een poging hem aan de staart weer naar buiten te trekken mislukt. In het Yao dorp zijn de meeste mensen weer terug van het werk op de velden. De kleding van de vrouwen bestaat uit zwarte kleding met een paarse boa er op ge­naaid. De huizen hebben een lemen muur. De overige bergstammen leven allemaal in rieten hutten.

Redelijk uitgeput kom ik terug in het Lisu dorp. 's Avonds eet ik alleen wat droge rijst met suiker. En daar heb ik al de grootste moeite mee! Allemaal vermoeidheid. Als het donker is worden we door Asa uitgenodigd voor het volle maansfeest. Jon­gens en meisjes zitten apart en om de beurt zin­gen ze elkaar toe. Het lijken wel islami­tische klaagliederen. De gemiddelde leeftijd van de jon­gens is ca. 20, terwijl de meisjes niet ouder zijn dan 10-15 jaar. Je moet er hier snel bij zijn! Veel jongens zijn niet getrouwd omdat ze het verplich­te trouwfeest voor het hele dorp niet kunnen beta­len.

De mannen hier hebben een aantal niet-westerse gewoonten. Ze lopen vaak hand in hand en zijn onderling erg aanhalig. Hiermee tonen ze elkaars vriendschap, zonder enige bijbedoelingen. Ze kunnen ook niet van mij afblijven. Ze zijn diep onder de indruk van mijn baard en beenharen en steeds weer voel ik handjes op mijn been. Als ik als grap wat haren af knip en ze hen wil geven om op hun benen te plakken lopen ze angstig weg. Het Engels van Asa is moeilijk te volgen, maar nu weten we wat zijn gebrek is. Hij kan de 'ee' en 'j' niet uitspre­ken. Zo zegt hij 'nosem', 'sem-sem' en siet. Hij bedoelt hiermee 'not the same', 'the same', en 'shit'. Vooral het 'sem-sem' komt en schitterend uit.

 

Donderdag 3 Maart    
Boottocht van Thaton naar Chiang Rai

Na het nemen van een familiefoto rijden we terug naar Thaton en nemen de boot naar Chiang Rai. Het is 5 uur varen over de Kok rivier. Gezien de vele toeristen lijkt de dubbele roofmoord van 2 weken terug op passagiers van deze boot weinig indruk te hebben gemaakt. In het wilde weg schietende Karen vermoorden toen een Engels meisje en de bestuurder van de boot. We hebben de mazzel als eersten in te stappen en meteen weg te varen. Er zijn zo'n 7 boten nodig om ie­dereen te vervoeren. De gevaarlijke stukken wordt met zwaar bewapende soldaten in konvooi geva­ren. De Mae Kok is een middelgrote rivier met veel kronkels en zandbanken. Éénmaal komen we vast te zitten en moeten we de boot vlot duwen. Martha kan niet snel genoeg weer aan boord komen en zakt tot haar oksels in het water. Haar hele moneybelt is meteen drijfnat. Onderweg komen we verschillende vlotvaarders tegen die langzaam de rivier afkabbelen. Soms gaat de trip door dichte oer­wouden, maar meestal zijn de oevers en het achterland kaal gekapt en platge­brand. Het gaat zeker niet goed met de oerwou­den hier.

Na één uur moeten we er uit om ons in te schrij­ven. Hier levende Akha's proberen voor afbraak­prijzen kettinkjes te verkopen. Het is haast zielig om te zien hoeveel moeite ze doen om hun spul­letjes voor een paar dubbeltjes te verkopen, terwijl even verderop een Thai dikke winst maakt met de verkoop van blikjes coca-cola.

Na bijna 5 uur varen zijn we in Chiang Rai. Er is een hevige konkur­rentiestrijd tussen de guesthou­ses. De één is nog goedkoper en heeft nog meer te bieden dan de ander. Als guesthouse tel je hier niet meer mee als je geen warme douche en gratis fietsen aan kunt bieden voor dezelfde prijs als je in bangkok een kippehok hebt. Ons luxe guest­house zadelen we meteen op met een enor­me berg stinkende was. Het is morgenmiddag pas klaar, zodat we pas laat verder kunnen. In de krant lezen we dat er weer aardig wat geweld is gepleegd tegen toeristen in Koh Samui en omge­ving. Enkele doden en gewonden en zelfs een kid­napping.

 

Vrijdag 4 Maart     Chiang Rai naar Chien Saen

We lenen van het guesthouse twee fietsen voor een 'uurtje' in de 'omgeving'. Met een vrouwenza­del, punt omhoog, rij ik met Martha een lange weg uit en komen al snel buiten de stad. Stinken­de vrachtwagens die toeterend langs ons scheu­ren geven ons niet echt het gevoel buiten te zijn zodat we op goed geluk maar een onverharde zijweg in slaan. Het is enorm droog geweest de laatste maanden en de akkers en rijstvelden zijn dan ook dor en kaal. Koeien, ingenieus vastge­bonden aan een soort hefboom, proberen de laatste stukjes groen op te sporen. We rijden door wat kleine dorpjes. Karakteristiek zijn de fel blau­we huisnummers in Thais schrift en de aarden kom met drinkwater bij de ingang van het erf. Bij een voetbalveld wachten twee toe­schouwers, Boeddha en de koning, tevergeefs op de elftallen. Ze hebben wel alvast de beste plekjes ingepikt. Na enen zetten we stiekum de stoffige fietsen terug en als een uur later onze was gereed is pakken we onze spullen en nemen de bus naar Chieng Saen.

In Chieng Saen nemen we een guesthouse met uitzicht over de Mekong, de grote levensader van Zuid-Oost Azië. Door een recent grenskonflikt met Laos is er weinig tot geen scheepvaart op de rivier. Alleen een oud Laotiaans patrouille vaartuig vaart om de paar uur voorbij. De andere oever lijkt verlaten. De bergen en het land lijken één groot oerwoud, in tegenstelling tot het in cultuur gebrachte Thailand.

's Avonds discussieer ik met drie aparte figuren. De eerste is een echte Engelse gentleman die alle schepen achter zich heeft verbrand en in Japan als Engelse leraar een nieuw bestaan gaat opbou­wen. De tweede is een geflipte Duitser die haast de hele wereld heeft gezien. De derde is een Pakistaan die een Thais huurmeisje bij zich heeft. De

Pakistaan doet een paar rake uitspraken waar je als Westerling toch wel even over na moet den­ken. Zo zegt hij dat Hitler in dit gedeelte van de wereld een held is. Hij durfde namelijk Engeland en Frankrijk, de grote onderdrukkers van Zuid-Oost Azië de oorlog te verklaren. Iets wat ze hier eeuwenlang niet hebben gedurfd. De tweede wereld­oorlog heeft de onafhankelijkheid hier sterk versneld. De vele doden die de oorlog heeft ge­kost is interesseert ze net zoveel als ons de mil­joenen doden die onder Pol Pot in Cambodia gevallen zijn. Boven­dien zijn de mensen door de vele zich hier afspelende oorlogen veel grotere wreedheden gewend (Vietnam, Cambodia, Sri Lanka). De Tweede wereldoorlog was erg, maar hier is het veel erger denken ze hier.
Khadaffi een gek die terrorisme aanmoedigt? Reagan is veel gekker en gevaarlijker. Hij werpt hele regeringen omver en is veel machtiger. Bom­aanslagen zijn hier aan de orde van de dag. Wat zeuren ze in Amerika en Europa als er eens een keer een bommetje ontploft! Het is duidelijk dat Aziaten meer met geweld zijn opgevoed en ook andere problemen hebben als wij. Zodoende is hun kijk op de wereld kompleet anders als de onze.

Rond elven ga ik met Lotta, de Duitser, een Thai en de Pakistaan nog even naar het dorpsfeest. De band is net afgelopen en er draait nu een Thaise film vol dronken en naar sex hunkerende mannen. Het voetbalveld waar het enorme scherm staat opgesteld is propvol. Ze blijken hier zo preuts nog niet te zijn, want haast alle kinderen van het dorp zijn nog op en genieten van de film.

Zaterdag 5 Maart    
Chieng Saen - De gouden driehoek

Met gehuurde fietsen gaan we naar het punt waar Burma, Laos en Thailand bij elkaar komen. Het is de officiële 'Gouden driehoek'. Het sterft er van de voornamelijk Franse toeristen. Ze worden met busladingen tegelijk losgelaten voor de geijkte foto van het drie­landenmonument. Enkele jaren terug was het een hele opgave tot hier te komen. Alleen met lokale bussen en het laatste stuk lopen kon je er komen. Het is nu helemaal verpest en lijkt het wel kermis met al die souvenirshops. Het klinkt misschien hypocriet, maar ik vind dat al die verwende toeristen geen recht hebben om hier te zijn. Ze verdienen het niet dit stukje van de wereld te zien vanuit hun luie stoel in de airco bus.

Nadat we zowat een hele watermeloen naar bin­nen hebben gewerkt smeren we 'm snel. We willen eerst door fietsen naar het 30 km verderop gelegen Mae Sai, de meest Noordelijke stad van Thailand, maar na een paar heuveltjes afzien keren we maar weer terug. Het is opvallend hoe rustig het is als je 50 meter voorbij de souvenirs­hops bent. We slaan het eerste zijpad in en rijden over een slecht pad langs de akkers. Overal zijn mensen aan het werk. Het is hier oogsttijd voor een bepaalde wortel. Deze wordt eerst in mootjes gehakt waarna het op speciale velden te drogen gelegd wordt. De weg is zwaar. Vooral de gedeel­ten die bergop gaan en het smalle pad over de lege rijstvelden vol diepe scheuren van de droog­te. Na twee uur ploeteren komen we weer op een enigzins verharde weg. Waar we zijn is een groot raadsel. We rusten wat in een speciaal voor de landarbeiders gemaakt rieten siëstahutje. Helaas worden we bij iemand thuis uitgenodigd zodat we nu niet meer in het heerlijke windje maar in een benauwd huis naar

boxen op TV moeten kijken. Na een uurtje is de zon wat gezakt en rijden over steeds hoger lijken­de heuvels terug Tegen de avond zijn we met een voldaan gevoel weer terug in Chieng Saen.

Op de markt kopen we drie forse crabben. De kok van ons guesthouse gaat daar meteen wat lekkers van maken. Na een potje tafeltennis tegen een bediende, 3-0 voor ome Jos, is het zover en komt de crab op tafel. Het is een hele toer wat eetbare delen van de crab te vinden. Het lukt maar gedeeltelijk zodat ik er nog maar een maal­tijd bij bestel.

Lotta is de hele avond bezig zijn leven van versto­ten baby tot recente scheiding met een Philippijn­se te vertellen. Het verhaal kan weken Privé vul­len. Lotta maakt tot ergernis van elke guesthouse zijn eigen eten klaar. Op de markt koopt hij alles goedkoop in en maakt in het restaurant rustig alles klaar. Zonder ook maar iets te bestellen, behalve bord en bestek dan, nuttigt hij zijn maal­tijd. De obers zijn alleen maar goed om te vragen of hij niet te veel heeft betaald of hem te helpen met het recept!

 

Zondag 6 Maart
Chieng Saen naar Chiang Mai

Voor de zoveelste maal deze reis lig ik weer te lang op bed en na 10 uur slapen kom ik er dan ook hartstikke duf uit. Het is een ramp elke avond al om 10 uur op bed te liggen! We lopen vandaag eerst naar Wat Pha Ngo, een paar km buiten de stad. De wat is één van de oudsten in Thailand (ca. 1300) en stamt uit de tijd dat Chieng Saen de hoofdstad was van een machtig koninkrijk dat het Noorden van Thailand en grote delen van Burma en Laos besloeg. Pas 10 jaar geleden ontdekten ze dat onder de grote boeddha en kleine is ver­borgen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het beeld een hart van goud heeft. Het doel van dit verstoppertje spelen was om bij de vele Burmese invasies de in­dringers zand in de ogen te strooi­en. In die tijd werd veroverd gebied met de grond gelijk gemaakt. Ook de grote Boeddha. De ver­borgen en meest waardevolle boeddha werd zo altijd over het hoofd gezien. Op het ogenblik is het één van de meest heilige Boeddha beelden. De mensen geloven dat iedere hier gedane wens ook uitkomt. Een Engelstalige monnik vertelt me de hele geschiedenis van het beeld dat nu nog maar voor de helft is uitgegraven. Heel Chieng Saen staat vol met meestal vervallen overblijfselen uit de Chieng Saen tijd.Ik klim nog een kilometer­tje naar de boven op een berg gelegen pagode uit dezelfde periode. Je hebt hier schitterende vergezichten tot diep in Laos.

Na een welverdiende douche rijden we via Chiang Rai naar Chiang Mai. De laatste bus is zo zwaar beladen dat hij grote problemen heeft de bergen op te komen. In Chiang Mai gaan we weer naar Rose guesthouse omdat Martha daar een gedeel­te van haar bagage achter heeft gelaten. De ka­mers zijn hier groot, maar voor de rest is het het smerigste, ongezelligste en onvriendelijkste guest­house dat ik ben tegen gekomen.

's Avonds lopen we naar de night bazar. Hier proberen tot half elf diverse bergvolken (vooral Hmong en Yao) en Thais allerlei snuis­terijen, kleding, eten en weet niet wat aan de man te brengen. Het is gigantisch druk en gezellig. Voor het eerst in Thailand komen we hier ook bede­laars tegen. Het zijn voornamelijk leprozen en softenon slachtoffers. Als je ze wat geld geeft volgt er een heel ritueel van geld zoenen en het zegenen van de 'gulle' gever.

 

Maandag 7 Maart     Chiang Mai

We zijn tot diep in de middag bezig met het be­zoeken van allerlei fabriekjes. Een man bood ons vanmorgen aan ons voor 10 Baht per persoon langs zilver-,leer-,lakwerk-,hout-,zijde-,weef- en ivoor-fabriekjes te rijden in de hoop dat hij bij aankoop van ons commissie kan vangen. Bij elk werkplaats hoort een enorme showroom waar tegen idioot hoge prijzen spullen kunnen worden gekocht die je zojuist heb zien maken. De werk­plaats is in de meeste gevallen puur een lokkertje en na een korte rondleiding volgt meestal een uitgebreide uitleg van de artikelen en prijzen hier­van in de winkel. De zijdefabriek is wel grappig. De diverse stadia van de zijderups worden er getoond, waarna de cocon in heet water wordt gelegd om de rups te doden. Vanuit deze bak wordt de cocon afgerold en samen met 30 andere cocons tot één draad gesponnen. Bij de leerfa­briek vraag ik naar de prijs van leren schoenen. Bijna ¦200,-! Later koop ik dezelfde schoenen in de stad voor maar ¦72,-. Helemaal bont maken ze het hier als ik een porte­monnaie wil kopen. Er blijkt een bekend Frans merktekentje in te staan en als ik zeg dat ik iets Thais wil hebben zeggen ze dat het hier gemaakt is en het stikkertje er wel weer even af willen ha­len. Bij de bergvolkfabriek moet ik even goed lachen. Diverse 'berg­stam­men' maken er hun specifieke gebruiksvoorwerpen. Als je goed kijkt zie je dat het verklede Thais zijn. Achter de showroom is een niet voor publiek toegankelijke werkplaats waar het 'handwerk' door Thaise meisjes op moderne Singer naaimachines wordt gemaakt. Ook de ivoor­fabruik is een lacher­tje. Het Burmese werkolifantenivoor wordt alleen door een handjevol mensen bewerkt als er toeris­ten in de buurt zijn. Al met al is het toch een leuke rondleiding en hebben ondanks de nepperij toch een beetje een indruk gekregen hoe alles hier gemaakt wordt.

Tot grote ergernis van onze begeleiders laten we ons zonder wat te kopen weer afzetten in de stad. Ze hebben voor precies 20 Baht getankt, precies het bedrag dat ze van ons kregen. De één is zo dronken als een kanon en brabbelde als maar onzin uit. Zo zei hij de eigenaar te zijn van één van de fabrieken en om dat te onderstrepen ging hij achter het buro van de manager zitten. Ieder­een lachte hem uit, maar hij blijft serieus door­gaan en vertelt dat hij zijn opleiding in Amsterdam heeft gehad. Na de derde fabriek viel hij als een blok in slaap en bleef steeds snurkend in de auto achter. De andere twee bleven ons als spionnen schaduwen om eventuele commissie direct te kunnen innen. Als ze tussen de middag honger hebben en wij wat in de buurt willen rondlopen hebben ze het niet meer. Telkens als ze net er­gens zitten om wat te eten gaan wij even verder­op kijken. Ze rennen dan maar weer achter ons aan om ons niet kwijt te raken.
's Avonds doen we inkopen in de night bazar. Ik koop vooral nieuwe kleren, schoenen en wel 40 cassette bandjes. Ook proberen we veel lekkere hapjes uit. Afgeladen laten we ons door een be­cak thuis brengen. Het is hard gegaan met de financiën vandaag. Ik ben zelfs na twee maal wisselen weer kompleet door mijn Bahts heen.

 

 

 

Dinsdag 8 Maart     Chiang Mai - Hmong dorp

Het is avond en ik ben versleten. De hele dag hebben we van hot naar her gerend. Nadat we eerst bij het postkantoor en de fotozaak zijn ge­weest lopen we naar het aan de andere kant van de stad gelegen busstation. De tickets naar Bang­kok zijn hier maar 133 Baht tegen 200 tot 240 Baht in het centrum.

Als we alles hebben geregeld rijden we naar een 25 km  verderop gelegen Hmong dorp. In de boeken worden deze mensen ook wel Meo ge­noemd. De vrouwen dragen het haar in een grote knot. Ook afgeknipt en uitgevallen haar wordt in deze knot bewaard. Het dorp is helemaal op toeristen ingesteld. De weg die dwars door het dorp loopt lijkt wel één grote souvenirwinkel. Als je even van deze weg af gaat blijkt het een schit­terend dorp te zijn waar je vreemd genoeg geen toerist meer tegen komt. We genieten hier van gewone dagelijkse tafereeltjes zoals het spinnen op een origineel spinnewiel en spelende kinderen bij een waterkraan. De kinderen zijn gestoken in schitterende kleding, kompleet met versierde helmpjes. Na een bord soep in een niet zo schoon restaurant, waar een vrouw konstant bezig is met vliegen meppen en de tientallen dode vlie­gen gewoon op tafel laat liggen, rijden we terug naar Chiang Mai. Het stuk gaat door ruig terrein en het is echt kicken zo half uit de auto hangend over al de hobbels.

's Avonds is het snoepfestijn. We hebben afge­sproken van alles en nog wat te proberen en dat doen we ook en lopen alle eet en snoep­stalle­tjes af. De hoofdmaaltijd nuttigen we ook op de nightbazar. We bestellen een gesorteerde zeevis schotel. Uit allerlei soorten vis wijzen we de lek­kerste aan en deze worden later in een soort fondue­pan opgediend. Dat het goed eten is be­wijst het feit dat we als enige buitenlanders op het stampvolle terras zitten. Tijdens het eten komt een zwerver op ons af die twee gigantische houten olifanten wil verkopen. Om snel van de man af te zijn bied ik een belachelijk laag bedrag voor één van de olifanten. Tot mijn verbijstering gaat de man er op in zodat ik voor ¦8,- met een enkele kg wegende olifant in mijn maag zit. Na het eten moet ik meteen op zoek naar een extra tas om hem naar huis te kunnen vervoeren.
Woensdag 9 Maart    
Chiang Mai - de dierentuin

Het is weer nivakinedag. De drie verschrikkelijk vieze nivakineta­bletten (anti-malaria pillen) proef je uren later nog en maken van de woensdag een impopulaire dag. We hebben een dag over en gaan naar de dierentuin. Het blijkt een enorm grote tuin te zijn, waar de dieren volop de ruimte hebben. Soms moet je minuten lopen om bij het volgende hok te komen. Vooral de vogels hebben de ruimte in grote kooien waarin ze naar hartelust kunnen vliegen. Het zijn voornamelijk dieren uit Zuid-Oost Azië. Van de Afrikaanse dieren hebben ze doorgaans maar één exemplaar. Het hok met één giraffe, één zebra en één gnoe doet een beetje zielig aan. Een enorme chimpansee ver­maakt de mensen met het gooien van stront. Hij heeft duidelijk plezier in het opschrikken van het publiek en maakt er een hele show van. Na een hele wandeling over de heuvelachtige tuin gaan we weer terug.

 

Donderdag 10 Maart     Bangkok

We zijn weer in Bangkok. De nachtbus was een hel. Weinig ruimte, een levensmoede chauffeur, een praatzieke Thai en vooral steenkoud door de airco. De dag verlummelen we een beetje. Eerst moeten we wachten op een kamer totdat de vori­gen zijn uitgechecked en vervolgens nemen we de verkeerde bus naar de Tarom. We hebben wel het goede busnummer te pakken, maar de ver­keerde kleur van de bus. Daar blijken ze ook nog onderscheid in te maken. De bus gaat plotseling de snelweg op en komt er in een buitenwijk pas weer vanaf. Twee uur later zijn we eindelijk bij de Tarom. Mijn vlucht blijkt propvol te zitten en ik ben nr 12 op de wachtlijst. Weinig kans dus. Ik besluit toch te proberen mee te vliegen en stand­by te staan. Als het niet lukt kan ik me laten over­boeken naar een andere maatschappij die enkele dagen later vliegt. Het kost me wel $90 extra.

Na de Tarom en het postkantoor, waar ik tever­geefs huis probeer te bellen, gaan we met de boot terug naar het guesthouse. Ook nu pakken we de verkeerde boot. Het is een pontje en na twee maal heen en weer hebben we het pas door.

's Middags schrijf ik een brief naar Sabine om mijn ervaringen met de 'Tarom maffia' uit de doe­ken te doen. Zij moet persé de volgende week terug en heeft zo'n beetje dezelfde problemen als ik.
Na het eten lopen we een rondje in de buurt van het paleis. Ze zijn bezig het riool langs de weg schoon te maken. Handmatig!. Het is het smerig­ste werk dat ik me voor kan stellen. Een grote emmer wordt door onder de derrie zittende arbei­ders van de ene put naar de andere gesleept, waarna de troep opgehesen wordt en in vrachtwa­gen wordt geleegd.

 

Vrijdag 11 Maart     Bangkok - Wat Phra Keo

Vandaag doen we waar anderen mee beginnen als ze in Bangkok zijn: een bezoek aan het paleis en de Wat Phra Keo. Het is één en al pracht en praal. Ontelbare gouden Boeddha beelden en stupa's. Bij elke uitgang houden twee 5 meter hoge wachters de wacht. Er is ook een miniatuur van Angkor Wat, het grootste Boeddhistische heiligdom dat op een ontoegankelijke plek in Cambodia staat weg te rotten. Na dit impone­ren­de bezoek bezoeken we het vlakbij gelegen Wat Pho. Het is behoor­lijk in verval, maar renovatie is in volle gang. Er bevindt zich hier de grootste Boeddha verzameling van Thailand. Ook de lig­gende Boeddha is met zijn 46 meter de grootste van het land. Onze kulturele dag besluiten we met een bezoek aan Wat Saket. Het is een enorme gouden stupa die op een heuvel imponerend boven de stad uitsteekt. Je hebt er een goed uitzicht over Bangkok. Op dit relaxte plekje zitten we een tijdje en leggen wat kontakten met de monniken hier.

Om 18 uur is het zover en rij ik met de taxi naar het vliegveld. Met nog 15 anderen sta ik standby. Uiteindelijk kan ongeveer de helft mee. Ik ben de eerste die niet mee kan. Ik word nog even blij gemaakt met de laatste stoel, maar net als ik wil inchecken belt een laat­komer dat hij er aan komt. Later hoor ik dat ik alsnog mee had gekund om­dat een Engelsman het land niet uit mocht vanwe­ge zijn verlopen visum. Ik regel meteen maar een ticket bij Alitalia, zodat ik zondagnacht alsnog naar huis kan. Met de bus gaan we  weer terug naar Bangkok.

 

Zaterdag 12 Maart     Kanchanaburi

Nadat ik mijn nieuwe ticket heb opgehaald neem ik afscheid van Martha en stap in de bus naar Kanchanaburi. Zij gaan vanavond terug naar Koh Samui en blijft daar nog drie weken.

Kanchanaburi ligt 130 km ten westen van Bang­kok in een mooi natuur­gebied. Het is bekend om zijn beruchte 'Bridge over the river Kwai'. Na twee uur bussen ben ik er. Een becak brengt me naar één van de vele rafthouses. Dit zijn guesthouses op een vlot in de rivier. Vanuit je hut heb je een schitterend uitzicht over de rivier met zijn groene oevers. Met dezelfde becak begin ik aan een toer door de stad. Ver zal ik niet komen. Bij de eerste stop, het Jeath oorlogsmuseum (Jeath is een verbastering van death), hoor ik plotse­ling mijn naam roepen. Het blijkt Sabine te zijn die ook net een uur geleden in Kanchanaburi is aangekomen. Ze is poepiebruin, maar wat wil je als je vier we­ken op diverse stranden hebt gebivakkeerd. Ze heeft een nieuwe reisgenoot gevonden. Claude, een franstalige Canadees. Hij is een verwoed duiker en ze hebben heel wat af gesnorkeld. In Phee Phee kwamen ze geregeld haaien tegen die nog banger waren dan Sabine. De rest van de dag praten we bij en laat ik mijn foto's en de video zien.

's Avonds drinken we 2 flessen mekong whisky leeg tijdens een spelletje poker. Claude is een fijne gozer en we lachen heel wat af. In het pikke­donker moet ik enigzins wankel op de benen via allerlei smalle loopplankjes mijn rafthouse aan de andere kant van de stad zien terug te vinden. Het lukt zowaar.

Zondag 13 Maart     Kanchanaburi

We hebben afgesproken om 8.30 naar de 'Bridge over the river Kwai' te gaan. Het is zo warm in mijn hut dat ik er al veel eerder uit ben. Na een uurtje zitten op de raft aan het water, een her­haald bezoek aan het Jeath museum en het rege­len van mijn ticket naar Bangkok heb ik het ge­voel al een hele dag achter me te hebben als ik om 8.30 bij Sabine aan kom.

De brug zelf is niets bijzonders. Het is het gruwe­lijke verhaal er achter dat het een bijzondere brug maakt. In de oorlog kwamen bij de aanleg van de spoorlijn richting Burma ruim 100.000 mensen om, waaronder 16.000 geallieerde krijgsge­vangenen. De brug was het mikpunt van geallieerde aanval­len en werd herhaal­delijk gebombar­deerd. Er zijn opvallend veel Japanners en ik vraag me af wat hen hier heen trekt. Het doet me denken aan Duitsers die de Waalsdorper vlakte bezoeken. De brug wordt nog steeds gebruikt. Met deze trein rijden we 2 uur mee tot het einde van het spoor. Onderweg zien we waarom dit trajekt de dodenlijn werd genoemd. Moeilijke stukken langs en door rotsen in een woest landschap moeten wel een hoge tol hebben geëist. Desondanks is het de 4 uur die we in de trein doorbrengen moeilijk voor te stellen dat elke kilometer 38 krijgsgevangenen en 400 koelies het leven heeft gekost.

Na een verfrissende duik in de Mae Kwae, de officiële naam van de rivier, en twee potjes back-gammon neem ik afscheid van deze twee gezelli­ge mensen en neem om 5 uur de bus naar Bang­kok. Driftig gebarende lui loodsen me in de ver­keerde bus (de stopbus), maar ik heb het net op tijd door en kan nog uitstappen. Het is maar goed ook want anders had in mijn vliegtuig gemist. Alles loopt verder zonder problemen en even voor middernacht kiest de Boeing 747 het luchtruim.

 

Maandag 14 Maart     De terugvlucht

Wat een vlucht! Het is één van de beste, zo niet de beste die ik ooit gemaakt heb. Goed eten, drinken op aanvraag, gratis muziek, twee films en voor elke passagier een paar sloffen kado. Boven­dien zijn er zoveel plaatsen vrij dat je helemaal languit kan liggen slapen. Na 11 uur vliegen ben ik in Rome. Ik zit midden in allerlei stakingsakties en niemand weet waar hij aan toe is. Ik ga maar lekker met een boek in de hal liggen en probeer later als het licht is en er wellicht meer personeel is wat meer duidelijkheid te krijgen over mijn aansluiting. Door het tijdsverschil heb ik vannacht 6 uur extra geleefd en dat voel je.
Het blijft een chaos en er vallen diverse vluchten uit. Sommige vluchten hebben een vertraging van meer dan 12 uur. Ik heb geluk en heb maar één uur vertraging. Na een vlucht over oa de schitte­rende Alpen land ik in het frisse Amsterdam. Even lijkt het er op dat een gedeelte van mijn bagage in Rome of Bangkok is achter gebleven, maar mijn rugzak blijkt op de verkeerde lopende band te zijn gedropt. Met de trein naar Schiedam. Daar neem ik een taxi naar huis. De meter wordt nog voor het rijden op ¦2,60 gezet. Meer dan ik voor welke taxi dan ook in Thailand heb betaald. Ik ben weer thuis.