KENIA ........ reisverslag 1989 (deel 1)

Deel 1 (21 juni t/m 30 juni)

Deel 2 (1 juli t/m 11 juli) Deel 3 (12 juli t/m 28 juli )
  • Nairobi
  • Nyahururu
  • Maralal (Samburu gebied)
  • Baragoi (Turkana gebied)
  • Nairobi
  • Hell's Gate
  • Lake Naivasha
  • Lake Nakuru
  • Lake Bogoria en Lake Baringo
  • Maralal
  • Samburu park
  • Mt. Kenya
  • Amboseli
  • Masai Mara NP
  • Mombasa
  • Malindi
  • Lamu
  • Diani Beach
  • Nairobi NP

 


Woensdag 21 juni 1989 De vlucht naar Nairobi

Met Carmen en Bob ben ik vanmiddag vertrokken naar Kenia. Op weg naar onze eerste stop Athene denk ik met plezier terug aan de lange voorbereiding die aan deze reis vooraf ging. Het idee om onze moeder te verrassen met haar hartewens, een reis naar Kenia, is al jaren terug geboren. Haar zestigste verjaardag bleek een prima gelegenheid deze plannen ook ten uitvoer te brengen. Ab, Bob en Annemarie waren meteen enthousiast. Later kwamen daar ook Bob's Colombiaanse vriendin Carmen, Koos en Ineke bij zodat ons reisgezelschap uit maar liefst acht personen zal bestaan. In januari werd alles beklonken en de tickets besteld. Het was een hele toer de hele operatie voor Ans geheim te houden en werd er menigmaal het mondje bijna voorbij gepraat.

27 April was het eindelijk zover, Ans werd zestig jaar. Een zaaltje naast de kerk is afgehuurd om de vijftig familieleden en kennissen te herbergen. Ans is heel nerveus. Ze verwacht naast een lijkrede ("zeg liever bij mijn leven hoe goed ik ben geweest, i.p.v. aan mijn graf") ook een Braziliaanse hoempaband en een goochelaar. Als kado hebben we haar een wandklok aangepraat. Een verre reis was wel het laatste waar ze aan denkt. Ineke en ik gaan tenslotte naar Indonesië, Bob krijgt Carmen uit Colombia op bezoek, Annemarie gaat naar Joanne in de V.S. en Ab zeurde maar over het mooie Italië.

Om 10 uur vraag ik even de aandacht voor een door ons ingestu­deerd lied. Nadat een enorme zelfgemaakte wandklok is onthuld beginnen we te zingen. Eerst een paar coupletten over haar leven. Bij het aanheffen van "We gaan je nu verrassen..." trek ik aan een touw het in de klok verborgen vliegtuig los. In sierlijke glijvlucht vliegt het aan een staaldraad naar de verbouwereerde Ans. Het lied gaat intussen verder. Haar verbazing wordt steeds groter als er steeds weer iemand naar voren stapt en zingt waarom hij ook met haar mee wil naar Kenia. Wat een avond!

Nu zijn we dus met z'n drieën op weg. De rest komt 1½ week la­ter.een avond! Ondertussen zullen onderdak en vervoer regelen en dubieuze gedeelten van onze route verkennen. Met name het noorden van Kenia is mooi maar vrij ontoegankelijk.

Met wat vertraging landen we in Athene. We hebben vier uur de tijd om de stad in te gaan. Een spotgoedkope taxi brengt ons in 20 minuten naar het centrum. Het is lekker weer. 27 ° C en een verfrissend briesje. We maken een rondje om de Acropo­lus. In het aangrenzende theater wordt net een stuk opgevoerd dat vanaf de Acropolus goed te volgen is. Vanaf deze hoogte is het immens grote Athene helemaal te overzien. In de Plaka, de wijk met de gezellige straatjes, nemen we een bord vlees met z'n drieën. We schieten in de lach als de ober ons op knullige manier probeert op te lichten. Eerst zegt hij uit de losse pols dat het eten ons 1.500 drachmen kost. Wij lachen. Dan gaat hij met een interessant gezicht hoofdrekenen en komt op 1.350 drachmen uit. Wij nog harder lachen. Uiteinde­lijk laten we hem een optelsomme­tje maken waarin hij weer een fout maakt in zijn eigen voor­deel. We liggen nu helemaal onder de tafel. Uiteindelijk komt hij met het juiste bedrag (1175 Dr) op de proppen met een gezicht van "Jullie zeggen het maar hoor!".

Met ruim een uur vertraging vertrekken we weer uit Athene. Een tweede komische situatie doet zich voor aan boord van het vliegtuig. De heer van den Dool wordt omgeroepen en verzocht zich bij de captain te melden. Deze meldt dat er met onze bagage een fout is gemaakt. Blij vertelt hij dat de fout inmiddels is hersteld en de bagage met een ander vliegtuig naar onze bestemming JOHANNESBURG is gestuurd! Met dicht­geknepen keel kan hij nog net de woorden "Wie van U drieën is de heer van der Loo" uitbrengen!

Donderdag 22 juni Nairobi

Na een paar uurtjes slapen zijn we in Nairobi, de hoofdstad van het Oost-Afrikaanse Kenia. Gelukkig hebben we ruim een uur vertraging zodat we niet om vier, maar na pas vijven de koele Afrikaanse bodem betreden. De douane heeft het gelukkig te druk met de man voor mij, die een nieuwe tent in wil voeren, dat een andere douanier zijn werk overneemt en zonder kontrole onze paspoorten stempelt. Dus geen invoerrechten voor mijn videokamera en geen kontrole van mijn gelddeclara­tieformulier waar ik $400 te weinig opgegeven heb.

Het is fris. De Kenianen sterven van de kou. Dikke truien en een sjaal moet ze warm houden terwijl ik het wel lekker vind in mijn enkele shirtje. Het is tenslotte 16 ° C! De taxi zet ons af in het centrum. Pension de Iqbal gaat net open. We moeten helaas tot 10 uur wachten op een kamer zodat we de spullen er achter laten en de stad in gaan. Langzaam zien we de stad tot leven komen. Één voor één gaan de massieve rolluiken omhoog en is er weer een winkel open. Net als in alle Derde-Wereldlanden speelt het openbare leven zich vooral op straat af. Kappers, kledingherstellers en schoenenpoetsers doen langs de kant van de weg goede zaken. Opvallend is het grote aantal zwaar mismaakte leprozen die met bedelen in leven moeten zien te blijven. Ook zijn er buitenge­woon veel blinden. Kenia is een redelijk vrij land waar iedereen zijn godsdienst vrij mag beleven. Zodoende vind je naast kerken ook veel moskeeën en tempels van de Sikh, Boedhisten en Hindoes. We stappen even een Hindoe tempel in. Op blote voeten volgen we de godsdienst uitingen van de Hindoes. Ze geven eerst een knal tegen een koperen bel, waarna ze even in trance gaan voor één van de vele goden. In ijltempo lopen ze alle uitgestalde goden af. De meeste goden hebben de vorm van half dier en half mens. Via het postkantoor lopen we terug naar onze gereed gekomen kamer. "Even" een uurtje liggen worden er 4½.

Half drie gaan we weer op pad. We zijn nog maar net ons pension uit als Carmens gouden halskettin­kje brutaal van d'r nek wordt gerukt. Bob en ik hebben niets gezien, maar een striem in haar nek is het bewijs van deze rotstreek. Carmen staat even te beven, maar is er gelukkig snel over heen.

We worden niet goed van al die mensen die ons aanklampen om een safari tour, huurauto of kunstvoorwerpen aan te smeren. Hebben ze hier geen toverwoord als in Sri Lanka waarna ze meteen weg zijn?

Na een rondje door het centrum via het Central park en de waanzinnige Nairobi rivier, wel 5 meter breed, besluiten we deze (te) drukke stad snel te verlaten. Er is hier weinig te doen en de drukte is verstik­kend.

Vrijdag 23 juni Nairobi

Vandaag informeren we eerst naar de bus naar Nyahururu, drie uur rijden naar het noorden. Deze blijkt elk uur te gaan zodat we ons morgen niet hoeven te haasten. Vanaf het iets verderop gelegen stadbusstation pak ik de bus naar het National museum. Bob en Carmen zijn gaan lopen. Tien minuten wachten op de bus was te lang voor Bob. Zijn geduld zal in het 'pole-pole' Kenia nog danig op de proef worden gesteld. Het museum ligt in een schitterende groene buurt. De bomen staan in bloei en prachtige bonte vogels, waar onder wevers, vliegen af en aan. Het museum heeft een zowat komplete verzameling van in Kenia levende vogels, vissen en zoogdieren. Ook is er veel te zien over de beroemde opgravingen van Dr. Leakey. Gebruiks­voorwerpen van de in Kenia levende volkeren nemen ook een aparte zaal in beslag. Al met al een aardig overzicht van wat we de komende weken tegen kunnen komen.Via groene lanen lopen we naar het City park. Het lijkt aanvankelijk een dicht oerwoud waar we door moeten, maar als we verder­naar het oosten lopen komen we in een wild, maar keurig onder­houden park te­recht. Kleurige vogeltjes en een luid krijsende ibis maken van dit plekje een waar para­dijs. Op een grasveld­je bedelt een groep vervet apen om noot­jes. Het zijn er een stuk of 20. Erg leuk, vooral die ene met een jong op haar buik.

In Nairobi gaan we nog even de 28 verdiepingen hoge toren van het Kenyatta congresgebouw op. Vanaf het dakterras hebben we een prima uitzicht over Nai­robi en zijn Nationale park. Het is wel te bewolkt om "mijn" Kili­manjaro te zien. Bob en Carmen kunnen het goed met elkaar vinden. Zij is hopeloos ver­liefd en hij is ook lief voor haar. Het is ook een ideaal stel. Volgens Zuid-amerikaanse tradities is Bob de man waar tegen op gekeken wordt en waar je alles voor moet doen. Zo zal ze nooit nee zeggen tegen Bob's energie vretende onderzoekings­drang al valt ze bijna om van vermoeid­heid. Ook wordt Bob elke avond door haar uitge­kleed, maar i.p.v. een vrij­partij gaat ze zijn vuile kleren wassen. Geef mij zo'n vrouw!

Zaterdag 24 juni Nyahururu

Het vroege opstaan lukt niet zo best. Als bovendien de bus van 11 uur om 10.45 vlak voor onze neus weg rijdt weten we dat het vandaag wel niet veel meer zal worden. We laten ons de volgende bus in duwen. Buiten vechten konkurrerende bus- en matatu- chauffeurs om onze klandizie. Ze zeggen dat deze bus over 15 minuten gaat, maar een Afrikaans kwar­tiertje duurt hier al snel 1½ uur. Al die tijd zitten we opgevouwen in de al snel volle bus. Ik zit wel helemaal voorin en heb een goed uitzicht over de drukke busterminal waar elk moment wel wat gebeurt.

Anderhalf uur later gaan we begeleid door keiharde Afrikaanse muziek op weg naar Nyahururu. Ten noorden van Nairobi is het land door het Kikuyuvolk in cultuur gebracht. De hele rit gaat dan ook door mais-, suikerriet, uien-, bananen- en cisal plantages. Af en toe is er een stukje niet verbouwd en hebben zebra's een plekje gevonden om te grazen. Doof van de herrie komen we aan in het stoffige Nyahururu. We droppen onze spullen in een gehorig en vuil, dus echt Afrikaans, pensionnetje en gaan meteen op weg naar de Thomson Falls. Als we het dorp verlaten is het meteen groen. Het is een aangename wandeling van een paar kilometer. De waterval is niet veel bijzonders, maar de steile afdaling naar beneden door de dichte jungle is meer dan de moeite waard. We kunnen de neiging niet onderdrukken om als tarzan aan een dikke liaan te bungelen. Beneden staat een oerwoudreus met van die typische uit bladen opgebouwde stam. Grote vogels met rode vleugels zijn ook telkens weer de moeite van het kijken waard. Plotseling zie ik iets wits in de bomen bewegen. Het blijkt een groep colobus apen te zijn. We observeren de schitterende apen zeker een half uur. Boven nemen we in een oude koloniale lodge 1½ kilogram vlees. We kunnen het

niet op. Niet omdat het te veel is, het past op één bordje, maar omdat het smaakt en ruikt naar een al jaren geleden overleden olifant.

Terug in ons pension zoeken we meteen ons bed op en liggen al om half acht op één oor.

Zondag 25 juni Maralal (Samburu gebied)

We hebben een slechte nachtrust gehad. Het pension is erg gehorig en zo vuil dat Bob en ik de hele nacht last hebben gehad van allergie. Bob blijkt een handdoek van het pension dat nog te smerig is om beet te pakken als hoofdkussen te hebben gebruikt. Geen wonder dat hij zijn longen uit zijn lijf hoest. Half acht zijn we al bij de bus. Deze blijkt pas te gaan als hij vol is. We zijn de eersten en de verwachting is dat hij pas tegen elven gaat. Ik heb gisteren broodjes besteld bij een kioskje. We moeten achter om want het is officiëel gesloten. De sandwiches zijn helaas te vies om aan te raken en zo oud dat de schimmel er bijna op staat. We moeten dus genoegen nemen met een colaatje en een droog kaakje. De bus loopt eerder vol dan verwacht. Om 9.15 kan er al bijna niemand meer bij, maar desondanks vertrekken we toch pas na tienen als de bus kompleet afgeladen is. Vlak voor ons zit een prachtig traditioneel gekleed Samburumeisje dat ons aankijkt alsof wij de attraktie zijn. In de bus zitten ook Samburu mannen in nette kleding. Ze zijn te herkennen aan de grote gaten in de oren waarin ze thuis allerlei sierraden stoppen.

Het is een schitterende rit. Eerst rijden we nog langs de Kikuyu akkers, maar als we na 1½ uur het asfalt verlaten en de op een wasbord lijkende onverharde weg in slaan komen we in Samburu land. De Samburu's zijn veehouders. Ze laten hun koeien en geiten grazen op de eindeloze savannes. We geven onze ogen goed de kost en bespeuren al snel het eerste wild. Eerst drie bavianen en een eenzame struisvogel.

Als we dichter bij Maralal komen worden we wat vaker verwend Thomson gazelles, eland antilopen, drie struisvogels en veel zebra's. Andere mensen in de bus zagen ook nog olifanten aan de voor ons verkeerde kant van de weg. Aangezien het hier bijna woestijn is zien we ook dro-medarissen lopen. Er stap­pen nu ook steeds meer tra­ditioneel geklede Samburu's in de bus. Het zijn schit­terende mensen die helaas de pest hebben aan foto­toestellen. Ze zijn bang dat hun ziel in dat kleine zwarte kastje gevangen wordt. Voor een paar shil­ling is echter wel hun ziel te koop.

In Maralal worden we opge­wacht door een aantal men­sen die ons naar een goed­koop pensionnetje loodsen. Maar goed ook, want het enige in het handboek ge­noemde pension heeft nadat ze in het boek zijn gezet de prijzen verdubbeld. Een gids biedt ons aan diverse dorpen in de omgeving te laten zien. Hij zegt aan­bevolen te zijn in het handboek, iets wat later niet waar blijkt te zijn, en spreekt diverse nomaden talen. We spreken af om morgen te voet de omgeving te verkennen en naast wat Samburu ook enkele Turkana nederzettingen op te zoeken. Vandaag neemt gids Nicolais ons mee naar "zijn" nederzetting net buiten Maralal. Onderweg zien we schitterende Samburu. De vrouwen hebben kleurige kleding en het hele lijf versierd met kralen. Vooral de talrijke kettingen om de nek en de fraaie hoofdtooi vallen op. Van de mannen vallen vooral de krijgers op. Samburu zijn krijger in de periode dat de geen kind, maar ook geen man zijn. Dit is ongeveer tussen hun 15e en 22e jaar. De overgang van kind naar krijger en van krijger naar man gebeurt groepsgewijs op een door de tovenaar aangewezen datum. De krijgers hebben lang roodgeverfd haar. Ook hun bovenlichaam is beschilderd en in de grote gaten van hun oren steekt een uitgehold stuk ivoor. Met hun speren zien ze er gevaarlijk uit. Nicolais blijkt een Turkana te zijn. In Maralal leven zowel Samburu als Turkana, al is de laatste groep duidelijk in de minderheid. Alleen door een iets andere haardracht en de kleur van de kralen zijn de vrouwen te onderscheiden van de Samburu. De mannen lopen hier voornamelijk in Westerse kleding. Nou ja, Westers. Meer dan een paar lompen is het vaak niet. We maken kennis met een aantal familieleden, waaronder een 84 jarige van top tot teen versierde oma. Ze ligt languit op een gelooid vel met een hoofdsteuntje onder haar hoofd op haar gemak te pruimen. Op diverse plaatsen, waaronder haar onderlip, heeft ze gaten met versieringen zitten die de Samburu tegenwoordig niet meer dragen. Samburu en Turkana kopen hun vrouwen ook bij andere volkeren. De vrouw trekt dan bij de man in en gaat vervolgens op in de tradities en kleding van haar nieuwe stam. De mannen van het dorp gaan helemaal op in het .... spel. Het is hierbij de bedoeling zoveel mogelijk steentjes van de tegenstander te slaan. Ze zijn er reuze behendig in. De hele groep bemoeit zich ermee en iedereen geeft luidruch­tig adviezen.

We worden uitgenodigd bij de zus van Nicolais. Speciaal voor ons wordt een kip geslacht. Het arme dier wordt onthoofd en fladdert zonder kop nog het hele erf rond. Pas 's avonds zullen we hem op­eten. We gaan nu eerst naar het dorp om geschenken te kopen voor de Samburu die we morgen gaan bezoeken. Speciale pruimtabak, suiker en thee moet de afstand tussen ons en de Samburu verklei­nen. Nicolais weet dat ca. 150 km ten noorden van Maralal nog oorspronkelijke Turkana's en Samburu leven. We zijn meteen enthousiast en gaan op zoek naar een auto. De eerste vraagt ¦ 300 per dag zonder benzine, maar een tweede lijkt schappelijk voor maar ¦ 50,- per dag. Morgen gaan we het verder natrekken. Nicolais heeft wel al vast 60 liter benzine gere­geld.Het is inmiddels te laat geworden naar het dorp buiten Maralal terug te gaan en de kip te verslinden. Moses, een jonge vriend van Nico­lais, gaat de kip nu halen. Het duurt een hele tijd eer hij terug is. De smurrie van gehakte kip en vette aardappel plakjes zien er niet uit. De arme kip blijkt geen poten en vleugels gehad te hebben. We weten meteen waarom het eten zo lang op zich liet wachten en proberen nog wat restjes kip uit de derrie te vissen. We zijn tenslotte Nederlanders en hebben voor de hele kip betaald. Als we klaar zijn werkt Moses als een idioot de restjes naar binnen. Er blijft geen aardappeltje over. Onze afgekloven beentjes worden in een zakje verzameld om later verder afgekloven te worden. Ik schaam me voor mijn decadente gedrag. Ik vind het niet te eten en laat de helft staan terwijl er vlak naast je honger geleden wordt. Onder een helde­re sterrenhemel lopen we nog een stukje door het dorp. Ieder­een is vriendelijk en we worden al snel bij een net in het pak zittende man thuis uitgenodigd. Wat een contrast! Zijn hele huis is niet groter dan een kleine slaapka­mer. Daar leeft hij met zijn vrouw (25) en vier kleine kinderen. Hij is werkloos en heeft grote prob­lemen iedereen te voeden. Desondanks is het een vrolijke prater die ons meteen een schaaltje eten aanbiedt. We kunnen het natuurlijk niet aannemen. We nemen nog een laatste drankje in de plaatselijke "nachtclub". Het is een eenvoudige bar met keiharde muziek. Drie mensen zitten aan de met tralies omgeven bar met een biertje. Na een dansje met ene Kelly gaan we naar bed. Onze gids Nicolais heeft de kamer naast ons genomen om ons op tijd te wekken.

Maandag 26 juni Maralal

De bank gaat pas om 8.30 open. We moeten persé geld hebben zodat we aan de overkant wachten totdat de bank open is. We nemen een fanta waarvoor het onschuldige winkelmeisje 2 Shilling rekent. Ze krijgt meteen van een harige tante op d'r kop, want voor toeristen is de prijs 3 Shilling. Vroeger kon ik hier erg boos om worden, maar nu kan ik er alleen maar om lachen. Als de bank eindelijk open is blijken ze geen koerslijst te hebben. Deze komt pas om 11 uur per telefoon uit Nairobi. We gaan dus maar zonder te wisselen met Nicolais op stap maar moeten dus na elven terug zijn. We hebben eerst nog bij zijn zus een heerlijk ontbijt. We passen maar net in het kleine huisje. Na een sandwiche met ei gaan we te voet het Samburuland in. Moses is er vandaag niet meer bij. Wel de lange Kelly die we gisteren in de bar tegen kwamen. Het is een aardige jongen waar we veel plezier mee hebben. We hebben tabak, suiker en thee gekocht om de Samburu's gunstig te stemmen. De Samburu leven in kleine woongemeenschappen. Een heg van stekelige struiken moet het wild, met name hyena's, op afstand houden. Het vee wordt 's nachts binnen de omheining gedreven. Nicolais onderhandelt met wisselend sukses met het trotse volk. Uiteindelijk lukt het kontakten te leggen. We worden uitgenodigd in een hut waar ze net bezig zijn whisky te brouwen. We mogen als eersten het nog hete spul testen. Het is niet te zuipen, maar Nicolais lust er wel pap van.

Soms lopen er fraai geverfde warriors, krijgers, langs. Ze zijn niet erg gediend van ons en maken snel dat ze weg zijn. Na een korte tocht door het heuvellandschap besluiten we terug te gaan om geld te wisselen. Na het invullen van stapels formulieren hebben we na precies een uur ons geld. En dan te bedenken dat we de enige klanten waren!

Nicolais heeft inmiddels de gisteren geregelde auto opgesnord. Het is een Mazda die doorgaans gebruikt wordt als matatu (pick-up truck). Ik test de auto een stukje. Het is een oud kreng waarvan de remmen niet 100% zijn. Ik eis dat die gemaakt worden voordat we morgen met deze auto naar Baragoi gaan waar we primitieve Samburu en Turkana op gaan zoeken. Aangezien deze mensen elke dag dansen besluiten we van­middag niet naar het dansen hier te gaan maar met de Mazda naar de lodge.

Bij de lodge is een waterput gegraven waar wilde dieren op af komen. Naast het water komen ze vooral af op neergestrooid zout. Als we aankomen ziet het zwart-wit van de zebra's. Sommigen hebben al wat opgeschoten jongen bij zich. Ook grote eland antilopen zijn in grote getale aanwezig. Vanuit onze luie stoel zien we met een biertje in de hand ook nog wrattenzwijnen en impala's aan ons voorbij trekken. Indruk­wekkend is de intocht van een grote groep buffels. Als het wat te lawaaierig is in de lodge nemen de grote mannetjes op strategische punten de vechthouding aan terwijl de wijfjes met jongen zich veilig achter de mannetjes verbergen.

We besluiten een keer luxe te eten en bestellen een tafel in de lodge. Nicolais snapt er geen snars van. Voor zoveel geld ( ¦ 12,50) kan hij een hele geit kopen. Hij weigert ons aanbod om op onze kosten met ons mee te eten. Om 9 uur worden we door de gerepareerde Mazda opgehaald. In het dorp moet ik een hevige ruzie tussen Nicolais en de Mazda-eigenaar sussen. Het lukt zowaar en de Mazda-eigenaar is nu mijn "grote vriend".

Dinsdag 27 juni Baragoi

Problemen vanochtend. Eerst komt Nicolais niet opdagen zodat we voor niets erg vroeg opgestaan zijn. Vervolgens wil de chauffeur van de gehuurde auto van de overeenkomst af. Als Nicolais eindelijk ver­schijnt lopen de gemoederen weer hoog op. De eigenaar en de chauffeur van de auto, die we voor de eigenaar hielden, blijken niet dezelfde persoon te zijn en de werkelijke eigenaar blijkt niet akkoord te zijn met de deal. Een hoop gekanker levert weinig op, behalve dat ik mijn geld terug krijg. We gaan nu met de matatu naar Baragoi. De benzine kunnen we gedeeltelijk terug geven. Wel nemen we 20 liter mee omdat Nicolais zegt de matatu in Baragoi te kunnen lenen om de omgeving te verkennen.

Half twaalf verlaten we eindelijk Maralal. Het is een prachtige weg naar Baragoi. Eerst rijden we door dicht begroeid bosland­schap. Onderweg stoppen we een paar maal. Eerst laat Nicolais ons een plaats zien waar je een mooi uitzicht hebt over de Rift Valley. In Lisiolo, een stukje verderop, moet het uitzicht echt waanzinnig zijn. Ook stoppen we bij een groepje Samburu krijgers. Het zijn vriendelijke lui, maar vragen een astronomisch bedrag voor het maken van een foto. Het toeristme heeft hier dus ook al toegeslagen. Bob en Carmen blijken bereid het geld neer te tellen. Dit zeer tegen de wil van gids Nicolais in. Begrijpelijk, door toe te geven kan hij wel inpakken met zijn taktiek van het geven van kleine geschenken als tabak en suiker. Als we dichter bij Baragoi komen wordt het een stuk droger en zien we steeds vaker drommedarissen. Het grappige is dat de Turkana, de bewoners van dit gebied, niet goed weten wat ze met deze dieren aan moeten. Er op rijden kunnen ze niet. Ze gebruiken alleen melk, bloed en vlees van de dieren. Het landschap is nu het typische Afrikaanse landschap wat ik me thuis heb voorgesteld. Lage, dorre struiken met af en toe zo'n typische acacia boom. Een acacia heeft een opvallend "plat dak" en gemene 5 cm lange stekels. Als we vanaf een heuvel de immense vlakte in duiken lijkt het alsof we op een onbewoonde planeet zijn aanbeland. Drie rondcirkelende gieren geven het een extra onwezen­lijke dimensie.

In Baragoi lopen we met Kelly ("Hakuna matata") een stuk door het dorp en de naaste omgeving. Er leven hier naast de Turkana's ook veel Samburu's. Ze lijken erg op elkaar. De vrouwen van de Turkana hebben meer geel in hun kralen en typerende vlechten in het haar. De Turkana mannen hebben van klei een hoofddekseltje waar een struisvogelveer in is geplant. De Turkana leven in kleine woonge­meenschappen. De huizen hebben veel weg van de iglo achtige woningen van de Pygmeeën. Het dak is open. 's Avonds wordt het afgesloten door een gevlochten netwerk van bladeren en twijgen. Deze avond gaan we naar een Samburudorp. Het is pikkedonker. Vanuit de verte horen we de Samburu al zingen. Op de tast komen we bij de plaats waar de jongeren van het dorp aan het oefenen zijn voor hun befaamde "ahu-ahu" springdans. Al snel springen en ahummen we als volleerde Samburu met de meute mee. Tot groot vermaak doe ik enkele Hollandse klompendansen voor. Krom van het lachen haken ze aan en huppelen als echte boeren met me mee.

We hebben snoep mee genomen voor de kinderen. Om niet meteen door de hele voorraad heen te zijn geef ik alleen de allerkleinsten een snoepje. Om niet op te vallen hou ik mijn vinger voor mijn mond en zeg "sst" ten teken dat ze het niet tegen de anderen mogen zeggen. Binnen de kortste tijd heb ik dus een horde zoete kinderen achter me aan die allemaal ondeugend "sst" fluisteren. Nicolais probeert op agressieve manier te forceren dat wij foto's kunnen nemen. We willen niet eens, maar hij is te dronken om dat te beseffen. Hij verpest zo de spontane sfeer zodat we met ruzie de Samburu's verlaten.

Vandaag zijn we er ook achter gekomen dat hij de boel flink heeft belazerd. Het geld van de benzine heeft hij in eigen zak gestoken en inmiddels verzopen. Ook heeft hij ons bedrogen met een lening, de kamerhuur en gekochte geschenken voor Samburu. Nadat ik wat bewijs had verzameld veeg ik hem goed de mantel uit. Hij verzint nog de ene na de andere leugen, maar de bewijzen zijn keihard. Mijn scheld­kanonnade is zo hevig dat het hele dorp er even later vanaf weet. Als ik dreig naar de politie te gaan wordt hij agressief. Nadat ik hem heb gesust en hij beloofd heeft alles terug te geven drinken we nog wat samen en gaan naar bed.

Woensdag 28 juni Baragoi (de Turkana's)

We hebben meer dan genoeg van Nicolais zodat we met een andere gids het schitterende landschap in trekken. Als we een kwartier onderweg zijn komt Nicolais achter ons aan. Hij is witheet dat we een ander hebben genomen. Als met name Bob hem flink de waarheid zegt wordt het link. Hij bedreigt Bob met een steen terwijl een vriend met een koperen pijp klaar staat om in te grijpen. Ik weet het (voorlopig) te sussen en hij druipt gelukkig af.

Omi, onze nieuwe gids, vertelt dat Nicolais vroeger een goede gids was. Hij is nu verslaafd aan de drank en probeert op allerlei manieren toeristen op te lichten. Zo heeft hij in het verleden wel eens ezels verhuurd die niet van hem waren. De toeristen waren al halverwege de weg naar het Turkanameer toen de withete eigenaar zijn ezels opeiste. De driftbuien van Nicolais en zijn ongure vriendjes maken hem hier in het dorp bij de bewoners zeer gevreesd. We merkten al dat Kelly ondanks zijn 2 meter bang is van Nicolais.

Omi is een goede gids. Hij vertelt veel over de omgeving. Het is een lekker stuk lopen naar de Turkana nederzettingen. Onderweg zien we een kleine groene kameleon in de struiken. We doen twee schit­terende Turkana nederzettingen aan. Omi benadert de mensen op een vriende­lijke wijze en laten ze na ons vertrek als vrienden achter. Wat een verademing. We worden beide keren in de zeer primitieve hut uitge­nodigd. De ruimte is erg klein. De Turkana's zitten en slapen op een

gelooide huid. Aan de muur hangen wat gebruiks­voorwerpen als kale­bassen om melk in te bewaren, ezelzadels, potten en messen. De Turkana in dit afgelegen gebied hebben als kleding alleen huiden om hun lijf gewikkeld. De vliegen zijn hier een ware plaag. Een jongetje heeft een been vol open zweren waar tientallen vliegen als een vieze plak op zitten. Een vreselijk gezicht. Even buiten de woonge­meenschap hebben we een unieke ervaring. Een speciale Turkana hoofdkap­pen maker is net bezig met zo'n typische Turkanakap. Het werkje duurt twee dagen en levert twee geiten op. Eerst wordt het achterhoofd helemaal met klei inge­smeerd. Als de klei goed aan het haar vast zit wordt het in de goede vorm gekneed. Vervolgens worden er ca. 8 gaten in gemaakt van 1 cm doorsnede. Hierin worden houten klosjes bevestigd en met touw verstevigd. Later moeten hier struis­vogelveren in komen. Morgen, als de klei droog is, wordt de kap lichtblauw geverfd.

Terug in het dorp horen we dat Nicolais door de politie is opgepakt wegens diefstal. De mensen op straat denken dat wij hem aangegeven hebben. Hij blijkt een paar weken terug een marktkoop­vrouw bestolen te hebben.

De Samburutrip van vanmiddag gaat niet door. Alle Samburu uit de omgeving vergaderen over een hier veel gebruikt medicijn dat blind­heid en zelfs de dood ten gevolg kan hebben. Ze vergaderen op een open plek vlak buiten het dorp en buitenstaanders zijn niet welkom.

Bob en Carmen willen vandaag nog verder naar het Turkanameer. Ze weten een truck te charteren, maar deze gaat na een paar uur wachten plotseling toch maar de andere kant op. Een tweede truck vertrekt vanavond of morgenochtend. Het is alleen de vraag wanneer er weer vervoer terug is. Dat kan soms dagen duren, zodat Bob en Carmen er maar van af zien.

's Avonds blijkt het gerucht dat Nicolais zich vrij gekocht heeft waar te zijn en staat hij brutaal als voorheen weer tegenover ons. We waren net zo blij van hem verlost te zijn.

Donderdag 29 juni Baragoi naar Nanyuki

Om zeven uur ben ik al op pad om een matatu naar Maralal te char­teren. Baragoi is zowat verlaten. Er staat nog één persoon te wachten. Juist, het is Nicolais. De sfeer is meteen vijandig koel. Hij neemt een andere matatu want zijn "8 geiten" kunnen niet mee in onze matatu. Het is zijn laatste leugen want als we om 8.45 ver­trekken zien we voor het laatst zijn irritante kop. De landrover is overbeladen. Ik heb een plaats op het dak veroverd en zit nog vrij komfortabel vergeleken met Carmen, Kelly en in mindere mate Bob die opgevouwen in de bak zitten. Het wordt een tocht met veel hinder­nissen. Het eerste stuk door het droge gebied gaat heel langzaam. Als we een stuk klimmen en de woestijn achter ons laten wordt het een stuk bosrijker. We zien hier naast de talrijke drommedarissen ook een eenzame jakhals op zoek naar prooi. Na een stop in een kleine Samburunederzetting komen er in de al overvolle landrover nog eens 10 (!!) passagiers bij. Er zitten nu 26 mensen in de achterbak van de auto. Velen zitten of staan op het dak waardoor de auto gevaarlijk topzwaar is geworden. Eenmaal maakt hij een gevaarlijke schuiver en rijden we bijna in een greppel. Een lekke band kan haast niet uitblijven en die krijgen we dan ook. De reserveband blijkt ook lek te zijn. Dat kon ook niet anders. Ik zag in Baragoi de band geplakt worden in een primitief werkplaatsje. De band werd schoongemaakt met een schroevendraaier en een vuile zakdoek. Het plakkertje zat onder de troep zodat ik al meteen tegen Bob en Carmen zei dat de eigenaar van deze band beter geen pech kon krijgen. Ik wist toen nog niet dat deze band van onze landlover was.

De auto komt meteen tot leven. De één krikt de auto op, de ander demonteert de reserveband terwijl weer anderen zich met de andere lekke band bezig houden. Provisorisch worden de twee lekke banden geplakt, maar ze blijven langzaam leeg lopen. Een paar kilometer verder klapt een van de twee banden en staan we weer stil. We gaan lekker op een grasveldje languit liggen en wachten daar op wat gaat komen. Hakuna matata ! (geen probleem!). Na 1½ uur pompen, plakken enweer leeglopen komt er toevallig van dezelfde eigenaar een landrover vanuit de andere richting. Hun reserveband wordt meteen geconfis­ceerd. We hebben er desondanks weinig vertrouwen in en stappen over op een juist pas­serende vrachtwagen. Hierin blijkt ook Julius te zitten, de gids waarvoor Nicolais zich aanvankelijk uitgaf. Het is een bijzonder joviale vent die meteen enthousiast over Afrika begint te vertellen. Hij vertelt dat de dode bomen die hier het landschap overheersen een natuurlijke dood zijn gestorven. Het zijn snelle groeiers en gaan ook snel weer dood. Het hout is prima timmer- en brandhout. Tot mij verrassing blijkt dat hij af en toe door Baobab reizen wordt inge­huurd en daarvan ook mijn kennissen Tom, Mike en Peter kent. Ze komen de 14e naar Maralal zodat hij mijn meegenomen video van de Zaïre reis aan Tom kan geven.

Het is vier uur als we in Maralal aankomen. Tijdens het koude (!) afscheidsbiertje met Julius horen we dat er net een auto vertrekt naar Nanyuki aan de voet van de Mt Kenia. We aarzelen geen moment en zitten even later in de achterbak van de Peugeot. Het spaart ons een dag uit. Vanuit Nanyuki is het een paar uur rijden naar Nairobi, terwijl het vanuit Maralal twee dagen is.

Het is bijna donker en de dieren verlaten hun schuilplaats. In snel tempo komen we zebra's, bavianen, kraanvogels, hoenders, Thomson gazellen, struisvogels, een hartebeest en als klap op de vuurpijl drie olifanten tegen. En dat gewoon langs de kant van de weg ! De auto rijdt behoorlijk snel zodat het door de wind erg koud is in de achterbak. Iedereen probeert zo dicht mogelijk bij de cabine te zitten zodat we om tien uur niet enkel ijskoud, maar ook kompleet opgevouwen arriveren in Nanyuki. Onze kamer is een openbaring. Schoon, eigen toilet en een eigen warme douche. De ellende is snel vergeten en lachen alleen nog maar om die hoer van beneden die me ten dans vroeg in haar bed.

Vrijdag 30 juni Nairobi

We slapen lekker uit. Na het ontbijt neem ik de minibus naar Nairobi. Bob en Carmen rijden vandaag naar Meru en gaan pas vlak voordat de familie arriveert naar Nairobi. De man naast me is leraar in Meru. Met zijn slome engels probeert hij de hele weg een goedbedoeld maar irritant praatje aan te knopen.

Na 3½ uur ben ik weer in Nairobi, de stad waar een vluchtheuvel nog echt een heuvel is om naar toe te vluchten. Ik neem meteen de bus naar het in een buitenwijk gelegen hotel Hurlingham. Het hotel ademt nog de sfeer uit van de koloniale tijd. Deze wordt helemaal bevestigd als een typisch grijze engelsman met zwaar accent me te woord staat. Ik schrik me rot na het horen van de prijs, maar naar Europese begrippen valt het wel mee. ( ¦ 30,- pp). De goede man blijkt vol te zitten, maar voor maandag­avond heeft hij wel plaats voor ons achten. Ik laat mijn rugzak achter en met enkel wat handbagage ga ik de stad in. Nadat ik mijn lakenzak op een bed in pension de Iqbal heb gedropt probeer ik naar huis te bellen, maar zoals gewoonlijk neemt er weer niemand op.

Ik ga me vanavond lekker verwennen. In het sjieke hotel New Stanley neem ik een heerlijke maaltijd. Een vruchtencocktail vooraf en een gigantische biefstuk als hoofdgerecht. Dit alles bijgestaan door een ijskoude halve liter geel vocht. Het terras is helemaal vol blanken. Wat een verschil met vorige week toen we nog de enigen waren.

Er doen zich hier nog een paar typisch Afrikaanse toestanden voor. Als ik voor het eten mijn handen wil wassen zegt de in vlekkeloos groen gestoken ober dat de toilet op slot zit, maar dat het niet erg is met smerige handen te eten. Je eet tenslotte met mes en vork ! Als er even later een telefoontje is voor ene heer Ramesh gaat er zo'n groene gorilla met een schoolbordje op een stok waarop de man's naam staat de tent rond. Op de stok zit een fietsbel bevestigd die bij elke tafel even gebeld wordt. Half acht ben ik terug bij het postkantoor voor een telefoontje naar huis. Thuis weer geen gehoor, maar als ik Ien bel kan ik mijn oren niet geloven. Ik krijg Mario aan de lijn. Hij vertelt dat de plannen enigzins gewijzigd zijn en de hele bups vanmiddag al is aangekomen ! Ik ren meteen naar het hotel, maar ze zijn er niet. Na drie lange uren komen ze enthousiast aanrennen. Ze hebben even tevoren van Mario gehoord dat ik op ze wacht. Wat een aangename verrassing! Ze ver­tellen over de paniek die ontstond toen eergisteren bekend werd dat hun vlucht drie dagen vervroegd werd. Ien moest eerder vrij nemen van school. De tickets waren pas 30 minuten voor de vlucht aanwezig. Ik ga meteen met Ien mijn linnen zak halen en trek in bij de rest in het dure, luxe en o zo gehorige Samagat hotel. Mijn pension de Iqbal ligt in dezelfde straat als Samagat. Ik ben vandaag twee maal voorbij Samagat gelopen. Ik weet niet wat me overkomen zou zijn als ik ze vanmiddag bij toeval tegen was gekomen. Onver­wacht lig ik vannacht dus in een heerlijk warm lekker smal bedje met mijn blonde beestje.

 

TerugVerder