Ecuador en Venezuela

zomer 1990

De eerste vakantie samen met Ien. Het was even wennen samen. Voor Jos een luxe reis, voor Ien vreselijk afzien. Tijdens deze reis leggen we de basis voor de rest van ons fantastische "reisleven".
In Ecuador bezochten we: Quito, de Cotopaxi vulkaan, de kust bij Sua, de westelijke jungle bij Borbon, de indianenmarkten van Otavalo, Zumbahua en Saquisili, het vogelparadijs Tinalandia vlak buiten Santo Domingo en de centrale dorpjes Baños en Latacunga.
In Venezuela waren we te gast bij familie van Carmen. Van daaruit hebben we het Caribisch gebied bij Chichirivichi bezocht.

Woensdag 11 Juli 1990 - Vertrek

"Ik ga nooit meer met vakantie" schreeuwt Ien als we een half uur te laat opstaan. De wekker is niet afgegaan, zodat er nu geen tijd meer is om rustig alles van het lijstje af te werken. Na een kwartiertje stap ik ook maar uit bed. Het is inmiddels vijf uur, zo'n 45 minuten voor de trein naar Schiphol vertrekt. Wat een speling !

Uiteraard met belachelijk volle rugzakken komen we rond half zeven aan op Schiphol. Bij de Viasa, onze Venezolaanse vliegmaatschappij, gaat het er typisch Zuid-Amerikaans chaotisch aan toe. Eerst moeten we aan de andere kant van Schiphol een toeristenkaart halen. Belachelijk, want normaal geven ze deze papieren kul gewoon in het vliegtuig. Als we weer bij de incheckbalie terug zijn staat er een niet al te lange rij. Een uur later staan we er nog. De computer is uitgevallen. Als die het eindelijk weer doet, krijgt iedereen een plaats in een ander toestel toegewezen. Leve de automatisering! Alles moet tenslotte handmatig worden verwerkt, zodat we ruim een half uur te laat vertrekken. We gaan eerst naar Frankfurt om Duitse passagiers op te halen. Bij het opstijgen moet iedereen voor in het toestel gaan zitten om het gewicht goed te verdelen. Het zal wel. In Frankfurt moeten we er een half uur uit. Bah, weer zo'n vervelende tax-free winkelstraat.

Met een uur vertraging stijgen we weer op. Het is licht bewolkt, zodat we tot Bretagne een goed uitzicht hebben. Vooral de monding van de Seine is goed te zien. Op het filmdoek zien we de hoogte en snelheid van het vliegtuig geprojecteerd. Als we opstijgen gaan we 200 km/u. Eenmaal op koers is het opgelopen tot 984 km/u en zitten we bijna tien kilometer hoog. We vliegen met de zon mee, zodat we bij aankomst 6 uur "gewonnen" hebben.

In Caracas is het bij aankomst 3 uur 's middags. Ondanks een half uur vertraging zijn we er dus bijna een uur eerder dan gepland. Nadat we in het koele vliegveld (airconditioning) de eerste Bolivars, 50 voor 1$, hebben gekocht gaan we naar buiten. We lopen tegen een muur van hitte op. Het is 31 ° C en ontzettend vochtig. Met twee Duitsers nemen we de taxi naar Macuto aan de kust. Het gedoe begint weer. Eerst met het zweet op je rug afdingen, uiteindelijk nog veel te veel betalen en dan niet op de goede plek worden afgezet. Het is onbekend hoeveel het lopen is naar het uitgezochte hotel Diana. Nadat de taxi weg is, zodat hij geen commissie vangt, nemen we het hotel waar hij ons heeft afgezet. Het is vrij lux. Grote kamer, warme douche, zwembad en balkon met uitzicht op zee. In een palm vlak naast ons hotel zitten wel vijf pelikanen. Af en toe vliegen ze op en gaan op visvangst.

Om vijf uur gaan we 'even' slapen. Voor ons is het tenslotte 11 uur 's avonds. Dat even wordt dus meteen de hele nacht. De airco houdt de kamer heerlijk koel.

 

Dinsdag 12 Juli - Macuto (Venezuela)

Voor zessen zijn we al op en zien de zon achter de groene bergen opkomen. In de nu al drukkende hitte lopen we naar het strandje van Macuto. Het dorpje is op het toerisme ingesteld. Er zijn terrasjes, standtentjes en op het strand badhokjes en een paar uitkijkposten. Goed te zien is dat de inflatie hard heeft toegeslagen. Alles is vervallen. Op de boulevard hebben ze in een optimistische bui vijf zwembadjes naast elkaar gezet. Nu staan ze leeg en vervuild de armoede extra te beklemtonen. Meer dingen zijn vervallen door gebrek aan geld en dus onderhoud.

Als het dorp ontwaakt gaan we terug naar het hotel voor een heerlijk ontbijt. Hierna lopen we weer naar het strandje en installeren ons op een terrasje. Eerst nemen we zo'n heerlijke 'vaas' vruchtensap. Na een ook al niet te versmaden pizza moeten we terug om de kamer te ontruimen, waarna we de hele middag aan de rand van het zwembad gaan liggen. Ik speel lekker met mijn verrekijker. Zo observeer ik gele ijsvogelachtige vogels, die in een duikvlucht water uit het zwembad drinken. Hoog in de lucht zijn er naast de pelikanen ook enkele fregatvogels te zien. De berg achter het hotel lijkt erg groen, maar blijkt vol te staan met cactussen.

Als we naar het vliegveld rijden, breekt er een tropische bui los. Gelukkig peren we 'm naar Ecuador. Na bij elkaar tenminste vijf controles mogen we het vliegtuig in. Ze moeten ook $20 airporttax hebben, terwijl we op doorvlucht zijn. Ook blijkt de helft van de overige passagiers gratis vervoer en hotel te hebben gehad van de Viasa. Dat had de ANWB wel eens mogen zeggen.

We zitten midden in het vliegtuig en zien dus niet veel. Naast me zit een Otavalo indiaan met zo'n typisch paardestaartje. Als er in het vliegtuig Andesmuziek wordt gespeeld, begint hij meteen enthousiast mee te doen.

Al snel weten we waarom de vlucht zo lang duurt. We vliegen nl eerst naar Guayaquil om wel vijf mensen af te zetten en gaan dan pas weer terug naar Quito. Om 21.30 zijn we er. Eerst geld wisselen. De koers is nu 885 sucres voor een dollar. Zes jaar geleden was dit nog 90 ! Hierna nemen we snel een taxi naar hotel 6 December. In Zuid-Amerika hebben veel straten en instellingen de naam van een belangrijke datum uit de historie.

Na het zien van de rugzakken zeggen ze eerst dat er geen kamers vrij zijn, maar als ze onze lieve gezichtjes nog eens bekijken krijgen we alsnog een kamer. De piccolo, gestoken in een echt rood pak met gouden knopen, brengt ons naar de 9e verdieping. Daar wacht ons een luxe kamer met douche en toilet. En dat voor maar 20 gulden. We nemen nog even een kijkje in de swingende "samba" disco. Na een drankje gaan we doodmoe naar bed.

 

Vrijdag 13 Juli - Quito

Na een Amerikaans ontbijt in ons hotel lopen we naar de moderne winkelstraat Amazonas. Quito (1,2 miljoen inwoners) heeft een oud en een nieuw gedeelte. De oude stad is klein en benauwd, maar ziet er met zijn oude gebouwen wat leuker uit. De nieuwe stad is breder opgezet. Hier bevinden zich ook de wat betere restaurants en talloze souvenirwinkels. Ien is helemaal weg van de kleurrijke frutsel souvenirs hier. Vooral de indianen hebben allerlei winkeltjes opgezet. De mooie Otavalo indianen doen voornamelijk in kleden. De anderen, veelal in rode of blauwe poncho gestoken, zien meer brood in kettinkjes of fruit. Tegen mijn gewoonte in koop ik meteen de eerste dag een mooi Otavalokleed.

Met de dubbeldekker, die enkel de immense Amazonas af rijdt, gaan we naar de luchthaven. Ik wil een vlucht regelen bij een vliegschool. Volgens het handboek kun je voor weinig geld een uurtje over de 'avenue der vulcanos' vliegen. Je ziet dan een groot aantal van Ecuadors vulkanen. Ondanks aandringen gaan ze niet lager dan $600,=. Snel wegwezen dus.

Na een pizza op een terrasje van Amazonas lopen we een parkje in. Het is druk. Een aantal mensen is aan het kaarten. Er om heen staat een kleine menigte toe te kijken en geeft een oordeel over elke gespeelde kaart. Even verderop is een soort volleybal wedstrijd aan de gang. Twee teams van drie man zijn zeer inspannend bezig de bal over een ca. 3 meter hoog net te "volleyballen". We zullen later deze vakantie nog vele malen dit populaire spel zien. Langs, of beter gezegd op de zijlijn staat het publiek. Het gekke is dat ze geen kik geven na een mooie actie. Op het veld lopen gewoon ijs en sigaretten verkopers.

Met alweer een taxi, wat wil je voor f0,75, rijden we naar de oude stad. Ien herkent de plaza San Francisco van één van mijn dia's uit 1984. In een met gestolen Inca-goud behangen kerk ontsteken we twee kaarsjes voor een voorspoedige reis en onze eeuwige liefde. Om de hoek begint de dagelijkse indianenmarkt. Zes jaar geleden werd ik hier bekogeld met fruit en aardappels omdat ik een foto wilde nemen. Via deze markt lopen we naar hotel Gran Casino, waar ik de vorige keer een week heb geslapen. De toen al vervallen tent is nu helemaal niets meer. Het vroegere mekka van reizend Ecuador heeft nauwelijks meer klandizie. In het restaurant nemen we een drankje en schrijven naar huis. Vlak naast het hotel klimt de weg naar de top van de berg waarop de maagd van Quito staat. Aan deze weg is een gevangenis, waar gevangenen op straathoogte bedelen om een aalmoes. Een triest gezicht, al die armen en benen die door de tralies steken.

Als we terug lopen naar het oude centrum wordt Ien haast onwel van de stank. 95% van de auto's zou niet door een Nederlandse keuring komen. Elke bus die voorbij komt zet de hele straat in een stinkende smog. De hoogte van Quito zal ook wel een rol spelen. De stad ligt op 2850 meter. Geen wonder dat Ien en ik in het hotel doodmoe op bed vallen. We gaan er nog wel even uit om te eten, maar als we een paar straten hebben gelopen storten we haast neer en gaan terug. Op onze kamer maken we een bak soep en vallen vervolgens als een blok in slaap.

 

Zaterdag 14 Juli - Cotopaxi

Ik ben al vroeg op. Te vroeg zelfs, want als ik de halve stad af loop om de vlucht naar Esmeraldes te regelen blijkt alles nog gesloten te zijn. De bureaus die ik nodig heb blijven tot overmaat de hele dag gesloten. We moeten dus naar het vliegveld. Quito vroeg in de morgen is een andere wereld. Bedelaars halen uit vuilniszakken de eetbare resten en doen dat in een eigen zak. Als je in die zak kijkt vind je de etensresten van de restaurants geklutst in een vieze brei. In en in triest. Ook loopt er een man met knalgele helm en een bel hard door de straten. Je denkt eerst met een gek of lepralijder van doen te hebben, maar even later blijkt het de aankondiger van de vuilniswagen te zijn. Op weg naar het vliegveld vraag ik de taxi chauffeur hoeveel het kost om ons een dag op sleeptouw te nemen naar het park rondom de vulkaan Cotopaxi. Na enige aarzeling hapt hij toe en spreken af om 11 uur bij het vliegveld.

Bij het vliegveld hebben we weer pech. 's Zondags gaat er geen vliegtuig naar Esmeraldes en de vlucht van maandag is vol. Dat wordt dus een hele dag bussen.

Om 11 uur komt Jorge, de taxichauffeur, inderdaad opdraven. Hij vraagt of zijn vrouw en kinderen ook mee mogen. Uiteraard stemmen we toe. Ze hebben tenslotte ook niet veel. Pa werkt 365 dagen per jaar. Vanaf het vliegveld is de mooie vulkaan Cotopaxi al goed te zien, maar hoe dichter we hem naderen hoe verder hij zich in de mist hult. Als we er na twee uur zijn is hij helemaal verdwenen. Jorge is aanvankelijk bang voor zijn auto, maar raakt steeds enthousiaster. Het is tenslotte ook zijn, weliswaar dik betaalde, uitstapje.

Met Ien loop ik een paar keer een stukje door de bosrijke omgeving. We gaan niet tot het einde van de weg, die tot 4880 meter klimt. Te steil voor de auto. Nadat we de auto op een plat stukje hebben gezet met uitzicht op de benevelde Cotopaxi, gaan we met de hele boerenfamilie een stukje het bos in. Als we onder wat prikkeldraad door kruipen komen we bij een groep lama's. De grappige dieren hebben het op deze hoogte prima naar de zin. Als we het bos weer uit komen wacht ons een grote verrassing. De mist trekt op en binnen geeft de Cotopaxi (6005 meter hoog) zich helemaal bloot. Kicken! Even verderop stoppen we ook bij een rustig kabbelend beekje. Het is hier zo mooi dat Ien hardop de mogelijkheid afweegt om hier een paar dagen met de tent te kamperen. Dit is snel over als ik vertel dat het hier 's nachts stevig vriest. Op de weg naar de uitgang wordt de weg versperd door een paar jongens, die een touw over de weg hebben gespannen. Ze willen geld hebben om brood te kopen. Een kleine donatie maakt ze dolgelukkig.

Vlak voor Quito nemen we nog wat bij een eettentje langs de weg. Het hutje dient behalve als winkel ook als woonhuis. De woonkamer is met een paar kratten van de winkel gescheiden. Voor twee gulden heeft iedereen te eten en drinken.

In Quito halen we bij de grote busterminal tickets voor de bus van morgen naar Esmeraldes. Het is 5½ uur rijden en kost wel 3 gulden.

Nadat we even op adem zijn gekomen dineren we in het luxueuze El Bistrot. We bestellen eerst rode wijn. Dit is erg duur in Ecuador, maar de ober overdrijft wel als hij met flessen van meer dan 50 gulden aan komt draven. Uiteindelijk is de wijn per persoon nog duurder dan de biefstuk en garnalencocktail samen.

 

Zondag 15 Juli - Sua aan de kust

Waanzinnig! Alweer zijn we te vroeg op. Het is een vreemde gewaarwording voor ons notoire langslapers om voor een dichte ontbijtzaal te staan. Het komt vaker voor dat er geen eten meer is! We gaan vandaag eerst met de taxi naar de evenaar. Mittad del Mundo. Het is wat verder dan gedacht zodat we er ondanks de stille wegen pas na 35 minuten zijn. Even de standaard foto, met de benen op de beide halfronden, en dan meteen weer terug. We kunnen gelijk door naar de busterminal. Deze is pas een paar jaar oud, maar lijkt echter uit de middeleeuwen te stammen. Je begint drie hoog en moet vervolgens via niet aansluitende trappen naar de begane grond. Met veel bagage is dat een crime.

De bus naar Esmeraldes vertrek vlak voor elf uur. We zitten voor in de bus. Prima uitzicht, maar wel met de benen in je nek. Als na ½ uur de Pan-American highway afbuigt naar Santo Domingo maakt de kale Andes plaats voor dichtbegroeide hellingen vol schitterende watervallen. Vlak voor Santo Domingo zijn we de Andes afgedaald en bevinden ons in de laagland oerwouden. Tot Esmeraldes blijft de weg groen. Vanuit de hoogte is Esmeraldes een prachtige stad, schitterend gelegen aan de rio Esmeraldes en omgeven door het groene oerwoud. In de stad is het een stoffige, stinkende puinhoop. We zijn blij dat we snel een taxi hebben geregeld die ons in een uur naar het zuidelijk gelegen strand van Sua brengt. Het lange reizen, bij elkaar 6½ uur, wordt beloond met een schitterend huisje aan zee. Isla del Sol heet het oord. Tussen de palmen door zie je de fregatvogels en pelikanen cirkelen. Een heerlijk plekje, nagenoeg alleen voor ons zelf. Het besluit hier een extra dag te blijven is snel genomen. In het restaurantje eten we voor het eerst het Zuid-Amerikaanse standaardeten: pollo oftewel kip. Het bier laat ik me een beetje te goed smaken. De kaarten die ik vanavond schrijf hebben dan ook een beetje schizofreen karakter.

 

Maandag 16 Juli - Sua

Midden in de nacht wordt ik al wakker met een barstende koppijn. Dit in combinatie met een door de koude en tochtige nacht veroorzaakte buikpijn zorgt ervoor dat ik 's ochtends doodziek ben. Ien baalt dat het vandaag bewolkt is, maar ik kan lekker uitzieken onder een hoge boom. Ik voel me de hele dag rot. Ien schrijft 3 uur kaarten.

Laat in de middag loop ik met Ien even over het strand. We kunnen niet ver want in het verleden zijn hier enkele berovingen geweest. Op het strand zien we duizenden krabbetjes. Met hun scharen zoeken ze naar voedsel. Hierbij laten ze een spoor achter waarbij het lijkt alsof een troep vogels op het strand heeft gebivakkeerd. Een oude installatie zit helemaal vol met pelikanen en fregatvogels. Wat verderop jagen pelikanen. Ze laten zich met een klap in het water vallen met de kop omlaag. Of ze veel vis vangen kunnen we niet zien. Op een vuilnisbelt achter ons huisje hebben een paar gieren plaats genomen. Ze vechten om elk stukje afval. Als we dichterbij komen smeren ze 'm. Kleine, bonte vogeltjes komen nu poolshoogte nemen. Het meest vallen de fel gele en rode vogeltjes op. In een boom zien we ook de eerste kolibrie "zweven". Na het avondmaal, wat ook al niet naar binnen wilde, zitten we nog even lekker op onze waranda. Als het donker wordt komen uit alle hoeken en gaten heremietkreeften gekropen. Deze kreeftjes huizen in een slakkenhuis dat ze ergens in zee hebben gevonden. Het zijn er zoveel dat je haast niet meer kan lopen.

 

Dinsdag 17 Juli - Borbón

We staan al vroeg op de bus naar Esmeraldes te wachten. De receptie heeft ons maar wat wijs gemaakt over de bustijden. Als er na bijna een uur wachten eentje voorbij komt blijkt deze overvol te zijn. Gelukkig, denken we, stapt er een helper van Isla del Sol uit, maar in plaats van ons te helpen begint hij te zeuren of we de rekening al hebben betaald. De bus, die toch al weinig animo had om ons mee te nemen rijdt door dit getreuzel zonder ons weg. Ien is het huilen nabij. Een half uur later komt zowaar de volgende. Deze is wat minder druk, dus snel de rugzakken op het dak en wij mee. Het is een uur naar Esmeraldes. Daar kopen we eerst een vliegtickets naar Quito voor komende vrijdag. Het kost maar $9 pp.

De bus naar het jungledorpje Borbón blijkt een aftands kreng te zijn. Van een oude vrachtwagen is de laadbak afgehaald. Hiervoor in de plaats hebben ze een houten constructie gemaakt waarin houten banken zijn geplaatst. Op deze banken worden per rij zes mensen gepropt. We zitten al behoorlijk krap als blijkt dat er niet zes, maar zeven mensen op zo'n bank moeten. Uitgerekend bij ons moet er iemand bij. En wat voor iemand. Ze had een kont alsof ze van een achtling moest bevallen. Na enig duw en trekwerk zit ze. De rest niet meer.

De eerste paar kilometers gaat over asfalt, maar als we het oerwoud bereiken moeten we over een stoffige hobbelweg. De bus kraakt aan alle kanten en gaat niet harder dan 20 kilometer per uur. Geen wonder dat we over nog geen 100 kilometer 4 uur doen. Onderweg maken we een eetstop in een soort wild-west dorpje. Ruige mannen te paard tegen een decor van stoffige wegen en houten huizen.

Als we in Borbón aankomen zijn we in een andere wereld. De bewoners zijn voornamelijk zwart. Hun voorouders zijn gevluchte slaven die hun heil in het dichte oerwoud hebben gezocht. We willen met de boot de Onzale rivier op naar de lodge van ene Steve. De boot is na bemiddeling van de Amerikaanse missionaris Sharon zo geregeld. Het is een half uur varen en kost ¦ 25,=. Het is een lekker tochtje. Met de verkoelende wind door je haren varen we in rap tempo de Onzale op. De oevers zijn dicht begroeid, al in het overduidelijk dat ook hier het oerwoud flink is aangetast. De dikke oerwoudreuzen zijn gekapt, zodat de lagere begroeiing nu van de zon de kans krijgt uitbundig te groeien.

Na een schitterende boottocht komen we bij de splitsing van de Onzale en Cayape rivier, waar Steve zijn lodge heeft. Het valt een beetje tegen. We hadden een verlaten plekje midden in het oerwoud verwacht. Aan de andere kant van de oever is echter aan de ene kant een dorp en aan de andere kant een soort boerderij. Als Steve na een half uur per boot arriveert worden we hartelijk ontvangen. Zijn vrouw en kinderen zijn in Quito zodat hij alles in z'n eentje moet runnen. Van buiten ziet de lodge er een beetje vervallen uit, maar binnen heeft hij zijn zaakjes keurig voor elkaar. We slapen op de eerste verdieping en hebben zo een prachtig uitzicht over de rivier. Er is aardig wat verkeer over het water. Met de kano varen de verderop levende Cayape indianen naar Borbón om inkopen te doen. Ook zie je veel houttransport. Ze kappen bomen in het oerwoud en maken er grote vlotten van. Deze brengen ze dan stroomafwaarts naar de zagerij in Borbón.

Bij het door Steve klaargemaakte eten praten we wat over de mogelijkheden in dit gebied. Een dag varen hier vandaan moet een onbedorven reservaat zijn vol unieke flora en fauna. Ook de door ons begeerde ara's zijn daar te zien. De meeste mensen zoeken het oerwoud aan de andere kant van de Andes in het Amazone oerwoud, maar daar is door overbevolking weinig tot niets te zien als je niet minimaal een toer maakt van 10 dagen. Hier zit je al binnen een dag in primaire jungle zonder bevolking. Niemand weet het, want het staat niet in de boeken. Het nadeel van de jungletocht hier is dat deze 3 dagen in beslag neemt terwijl we er maar twee hebben. Bovendien is het eten en slapen in het park onduidelijk. We proberen ons schema te herzien, maar uiteindelijk doen we morgen alleen een jungletocht in de omgeving en maken een bezoek aan de Cayape indianen iets verderop. We willen de indianenmarkten verderop in deze vakantie niet missen, maar jammer is het wel.

 

Steve is een bijzondere man. We kunnen uren geboeid naar zijn verhalen luisteren. Zijn Ecuadoraanse vrouw heeft hij in Los Angeles ontmoet. Hij woonde toen al in Ecuador, maar moest in een jaar tijd als taxi chauffeur een motorboot bij elkaar sparen. Ook is hij goudzoeker geweest. Nu leeft hij wat dichter bij de beschaving en heeft hier zijn eigen huis neergezet. In de omgeving lopen wat koeien van hem en hij scharrelt er wat bij als motor reparateur en gids.

 

Woensdag 18 Juli - Borbón

Vandaag blijven we dus in de buurt. Antillano, een helper van Steve, neemt ons mee voor een jungletocht in de omgeving. Voor de zekerheid neemt Ien een paar laarzen mee. Deze heeft ze meteen al nodig als we uit de kano stappen. Ze vindt het niet nodig gebruik te maken van een trappetje en stapt midden in de dikke blubber. Achter het erf van de bewoners begint een trail door de jungle. Gewapend met kapmes lopen we achter Antillano aan. Het is bloedheet in de dichte jungle en de zweetdruppels staan als grote parels op ons voorhoofd. Ook de muskieten slaan genadeloos toe. Vertwijfeld vraag ik me af wat de lol is van dit uitstapje. Na 1½ uur vragen we Antillano of het nog ver is. Hij wil nog 3 uur doorlopen! Gelukkig kunnen we hem duidelijk maken dat we liever terug willen.

De jungle is hier ook niet zo mooi. De hoge oerwoudreuzen zijn nagenoeg allemaal gekapt. Om dieren te zien zitten we ook nog te dicht bij de bewoonde wereld. Bovendien is het oerwoud zo dicht, dat we ze enkel daarom al niet zouden zien. Alleen op de open plekjes zien we wat vlinders.

Op de terugweg loop ik achter Ien. Plotseling zie ik een slang voor me liggen, waar Ien net op heeft gestaan. Ik denk dat het een dode slang is en begin met een stokje een onderzoek. Plotseling richt het zijn hoofd op. De trap van Ien had hem alleen maar verdoofd. Antillano komt woest tussenbeide en hakt de slang met zijn kapmes in mootjes.

Na drie uur zijn we door en door nat van het zweet weer terug bij Steve. Een douche doet wonderen, zodat we even later weer okselfris aan de spaghetti met "opa" kip zitten.

Laat in de middag neemt Steve ons mee naar een verlaten Cayape dorp. De indianen komen hier alleen om de doden te begraven en vieren hier twee maal per jaar een groot feest.

De mensen aan de westkust

Er leven hier voornamelijk negers. Hun voorouders zijn gevluchte slaven, die in de dichte oerwouden zijn gevlucht en hier een veilig bestaan hebben opgebouwd. Daarnaast leven hier de Cayape indianen, met hun eigen cultuur en gebruiken. De negers hebben ook hun eigen leefstijl. Alles wordt genomen zoals het is en veel animo om het levenspeil te verhogen is er niet. Trouwen vinden ze meestal maar niets en als ze dan toch trouwen, hebben ze er wel enige liefjes naast. Het is geen uitzondering dan een ongehuwde vrouw wel 10 kinderen heeft van evenveel verschillende mannen. De kindersterfte is hier erg hoog. Vooral malaria en tetanus eisen hun tol.

De indianen zijn monogaam en staan huwelijken met mensen buiten de stam niet toe. De doden worden in een spookstad begraven. Deze spookstad komt twee maal per jaar tot leven als er grote feesten worden gehouden, waar alle Cayape indianen naar toe gaan. De doden worden onder de huizen begraven. Als het vervoer van het lijk te lang duurt, wordt het lijk gerookt om rotting tegen te gaan. Een mooi verhaal is dat van een overleden kind, dat geroosterd werd en door de ouders mee naar de spookstad werd genomen om begraven te worden. Onderweg overnachten ze bij een neger familie. Deze denkt dat het geroosterde aap is, steelt een poot en eet het op. De andere dag komen ze achter de gruwelijke werkelijkheid.

 

Even verderop bezoeken we een echt Cayape dorp. Het dorp is compleet uit zijn voegen gegroeid en telt nu 50 gezinnen met wel 500 kinderen. De mensen denken hier ook helemaal niet na. Bij een gezin dat aan de overkant van het dorp woont gaan we aan land. De indianen leven van wat het oerwoud hun biedt. Papaja's, cacao, bananen en uiteraard vis zijn hier zonder veel moeite voorhanden. Met een speciale installatie kunnen ze suikerriet uitpersen, waarna ze er een stevige borrel van maken.

Als het bijna donker is zien we de eerste papegaaien. Luid krijsend vliegen ze in groepjes naar hun overnachtingsplaats.

 

Donderdag 19 Juli - Terug naar Esmeraldes

Steve geeft ons in aller vroegte een lift naar Borbón. Het is nu de tijd om papegaaien te zien en die zien we dan ook. Meestal vliegen ze hoog over, maar zo af en toe zien we ze ook in een boom zitten. Het leukst was echter een rubberboom vol met toecans. Vlak voor Borbón varen we langs een vervallen houtzagerij. Het lijkt alsof ze van het ene op het andere moment zijn opgehouden.

Op aanraden van Steve kopen we een extra plaats in de bus voor onze bagage. Het komt nogal eens voor dat de bijrijder onderweg bagage overgooit naar een passerende collega. Op de heenweg schijnen we mazzel gehad te hebben. Ze hebben toen alleen maar onze zijvakken leeg gehaald.

Het is weer 3½ uur hobbelen over de onverharde weg. Van Steve hebben we het adres van een Duitser, die vlak bij het vliegveld een hotel met zwembad runt. Het wordt helaas een grote deceptie. Het strand bestaat uit een paar rotsblokken en de kamer is ronduit smerig. De vuile handdoeken van de vorige gasten hangen er nog met de bijbehorende geurtjes. Ook moeten we de hele dag een halfuurtje wachten op water. Na het avondeten is het er zowaar. Het avondeten is wel lekker, maar als je zien hoe smerig de glazen en het bestek is vergaat je de trek. De Duitser zelf was ook al een beetje vervallen.

De dag brengen we door met een beetje lummelen en hangen in de hangmat. Ik kan ook uren kijken naar de overvliegende fregatvogels en pelikanen.

 

Vrijdag 20 Juli - Otavalo

We zitten nog steeds onder de muggenbulten als we naar het vliegveld gaan. De verlepte Duitser brengt ons er even heen. Veel mensen blijken nog geen ticket te hebben en kopen dit gewoon aan de balie. Als we door de controle gaan vergeten ze te zeggen dat de doorlichtingsapparatuur gevaarlijk is voor fotorolletjes en dat de rolletjes dus apart gehouden moeten worden. Gelukkig heb ik maar één belicht rolletje in mijn handbagage, maar het is toch wel even balen.

Het is nog geen half uur vliegen naar Quito. Desondanks krijgen we aan boord wat te drinken. Het is helaas goed bewolkt zodat we geen foto's kunnen nemen van het groene oerwoud onder ons.

In Quito nemen we meteen de taxi en gaan via het postkantoor naar het grot busstation. We kunnen meteen mee naar Otavalo, zodat we tegen vieren in dit indianendorp aankomen. In het "beste" hotel van Otavalo hebben we net de "laatste" kamer.

We gaan meteen het dorp verkennen. Er blijkt vandaag al een kleinere markt te zijn. Ien is meteen helemaal verknocht aan dit dorp.

De Otavalo indianen

De Otavalo indianen zijn bijzonder kleurrijk. Mannen zijn gekleed in witte broek en hebben allemaal een lange zwarte vlecht. De vrouwen hebben een witte blouse vol kleurige borduursels er op. Daar over heen dragen ze een zwarte, geborduurde poncho en om de nek hangen kettingen met grote kleurige nepkralen. De Otavalo indianen zijn opvallend schoon, dit in schrille tegenstelling tot de andere indianen. De straten zijn ook goed onderhouden. Al met al is het goed te zien dat de Otavalo indianen zo'n beetje de rijkste indianen van heel Zuid-Amerika zijn. Dit hebben ze voornamelijk te danken aan hun mooie kleden, waarmee ze wereldfaam hebben verworven.

De omgeving hier is ronduit schitterend. Twee vulkanen omgeven nadrukkelijk het dorp. Nu de zon onder gaat is de omgeving helemaal een plaatje.

In het hotel speelt 's avonds een Ecuadoraans bandje. Ien gaat nu helemaal uit haar bol. Sprekend zijn haar pretoogjes die ze liefdevol richt naar één van de muzikanten. De langharige puber met zijn paardenstaart en hoed kan volgens Ien geweldig mooi op zijn fluit spelen. Het zal wel. Ook een ongeveer vijftig-jarige Belg gaat uit zijn dak. Ik denk eerst dat de arme man spastisch is, maar hij blijkt aan het dansen te zijn. Morgen zien we hem met het schaamrood op de konen door het hotel sluipen.

 

Zaterdag 21 Juli - Otavalo markt

We zijn om 5 uur al op. Het is zaak vroeg op de markt te zijn, voordat de bussen met toeristen vanuit Quito in het dorp worden gedropt. Om 5.30 is het restaurant van ons hotel nog niet open, zoals was beloofd. Er is geen brood! Gewapend met een 1000 ASA fotorolletje gaan we dus maar direct naar de markt. De indianen zijn druk bezig met het opbouwen van de kraampjes. Naast de kledenmarkt is er een paar pleinen verderop ook een gewone markt. De dierenmarkt moet ook heel interessant zijn, maar deze is buiten het dorp en al vroeg afgelopen. We kruisen de markt wel tien keer en kennen haast alle indianen nu van gezicht. Zij ons ook, want we kijken overal maar kopen niet veel. Ze blijven echter wel vriendelijk lachen. We nemen erg veel foto's. Ze zijn hier zo aan toeristen gewend dat ze het helemaal niet erg vinden. Als de toeristenstroom op gang komt gaan we terug naar ons hotel voor het ontbijt. Het duurt allemaal uren hier. Achteraf wel grappig. Een manke indiaan met een geestige grijns loopt voor elk wissewasje naar de keuken. Van een dienblad hebben ze nog nooit gehoord. Als alles één voor één wordt gebracht en de bestelling niet wordt opgeschreven gaat er uiteraard van alles mis. Kortom, een uur later hebben we ongeveer wat we wilden hebben.

De hele dag lopen we door het gezellige dorp. Bij een in het handboek aanbevolen toeroperator proberen we een tour in de omgeving te boeken. De tent ziet er failliet uit en is telkens gesloten. Als we voor de derde keer langs lopen komt er een man vanuit een woning aan de overkant naar ons toe. Het blijkt de eigenaar van de tent te zijn. Wij mee naar zijn huis. De inrichting is erg sober, maar 't is zeker geen armenhuis. We regelen voor weinig een tour in de omgeving. Overmorgen de hele dag naar dorpjes in de omgeving kost maar ¦ 12,-. We passen dus ons schema aan en blijven nu tot dinsdag hier in dit heerlijke dorp.

's Avonds eten we eerst in een wat alternatieve tent een voortreffelijke pizza. Rond negenen gaan we naar de peña, een folkloristische muziektent. Ien gaat weer door het lint als de groep van gisteravond op het programma staat. Het is reuze gezellig door de vrolijke muziek. Als het pauze is stort Ien's wereld in. "Haar" langharige puber gaat eerst tikkertje spelen en als hij daar genoeg van heeft geeft hij een medemuzikantje een dreun op z'n hasses. Ien is dus ook weer terug uit dromenland. Ik hoef ook meteen geen paardenstaart meer te laten staan!

We gaan ook nog naar een andere peña. De daar optredende groep is een stuk minder. Naast ons zitten een paar knulletjes zich heldhaftig klem te zuipen. De jongste weert zich moedig, maar gaat toch als eerste tegen de vlakte. Zowat iedereen zit hier aan een lokaal vuurwater en zal waarschijnlijk morgen pas zijn huis terug kunnen vinden.

 

Zondag 22 Juli - Otavalo

We lopen vandaag een stukje in de omgeving. Achter het dorp klimmen we de heuvel over in de richting van Lago Pablo. We komen langs verdorde akkers. Wat triest, denken we, al die mislukte oogst. Het blijkt gelukkig zo te horen, want die verdorde stengels zitten vol met maïs. Ook lopen we langs enorme "ananassen". Het blijkt cisal te zijn. Van deze plant wordt touw gemaakt. Door de ijle lucht is het een lastige klim naar boven, maar we worden beloond met een mooi uitzicht van Otavalo met zijn twee vulkanen. Onderweg komen we allerlei leuke mensen tegen. Kinderen die bij een wasplaats spelen, een schaapherder die tevergeefs bedelt om geld voor de foto en nog veel meer vriendelijke mensen. Het leuke is dat ze hier ongevraagd te hulp schieten en je de weg wijzen.

Aan de andere kant van de berg blijkt Lago Pablo een toeristisch uitstapje te zijn voor de gringo's (buitenlanders) die langer in Otavalo blijven. Een restaurant zit vol met blanken, zodat we na een opfrissertje snel de bus terug nemen naar Otavalo.

In Otavalo ligt vlak naast de bushalte een vrouw op de grond. Eerst denken we dat het één van de vele mensen is die nog voor Pampus liggen van de drank van gisteravond, maar als we dichterbij komen blijkt ze doodziek te zijn. Ze ligt in haar eigen braaksel. Geschokt kijken we om ons heen, maar iedereen loopt gewoon door. Wat moeten we doen? Wat kunnen we doen? Niet raad wetend met de situatie lopen we ook maar door. Je baalt van jezelf, maar je realiseert je ook dat deze dingen gebeuren in Derde Wereld landen en dat je er tegen aan kunt lopen.

Met een propvolle bus gaan we 's middags de bergen in naar het dorpje Cotacachi. Dit dorp is fameus om zijn leerbewerking. Er is een grote winkelstraat met enkel leerwinkels. Hele bussen vol koopzieke toeristen worden hier tegelijk gedropt. Dit dorpje is tot onze verrassing veel toeristischer dan Otavalo. Ongelofelijk, al die dikke Duitsers en Amerikanen. Snel wegwezen dus.

In Otavalo is de markt ook vandaag opgezet. Alleen de toeristische spullen zijn nog te koop. Er is echter haast geen toerist te bekennen. We wachten op het afbreken van de markt. De kleden worden in grote balen samengepakt, waarna er een drager wordt ingehuurd. Deze armsten der armen zie je overal bloodvoets en met nauwelijks kleren om het lijf de markt afstruinen voor een ladinkje. Met touwen wordt de bundel op de rug gebonden, waarna ze de enorme last naar het huis van de eigenaar lopen. Een hondenbaan!

Het is zondag, zodat alle winkels en restaurants in het dorp gesloten zijn. Zelfs het restaurant in ons hotel! Na vele omzwervingen nemen we maar een smerige éénhappizza in het café onder ons hotel.

 

Maandag 23 Juli - Otavalo tour

Ons "klassehotel" heeft voor de derde maal in successie onze boiler uit gezet, zodat we weer in de vrieskou onder de koude douche moeten. De bulten van de jungletocht jeuken ook nog steeds, kortom een lekker begin van de dag voor ons verwende toeristen.

Als we bij "Zulaytour" aanbellen voor onze tour zijn ze zeer verbaasd dat we maar met z'n tweeën zijn. Ze hadden gedacht (gehoopt) dat we "vrienden" hadden gestrikt om mee te gaan. We waren nu dus de enigen. Het was meteen duidelijk dat ze meer geld wilden hebben. Ik maakte ze duidelijk in mijn beste Spaans dat we wel bereid waren meer te betalen, maar niet gediend zijn van deze fratsen. Als ze hun kantoor open gooien komen er mensen zat. Ze staan tenslotte als enigen aanbevolen in het handboek.

Alles moet nog geregeld worden, zodat we een uur te laat (9:20) met de eigenaresse als gids vertrekken. De hele bus is van ons. We hebben meteen contact met de chauffeur. Deze is ook leraar en vraagt honderd uit over Nederlandse "schoolzaken".

We rijden eerst naar een dorpje net buiten Otavalo, waar het leven draait om het maken van wolprodukten. Als we uitstappen zien we vrouwen bij een riviertje de wol wassen. Na het wassen wordt de wol op het gras gedroogd. We gaan een huisje binnen. Het hele gezin is druk in de weer. Vader maakt van de ruwe wol rolletjes, die een zoontje op een soort spinnewiel klost. De rest is bezig met het breien van de ruwe wol. Hoe langer je de wol wast, hoe fijner die wordt. Deze wol is maar even gewassen en dus erg grof. Een trui breien ze dan ook in een kleine dag. Een dochter is net bezig met het maken van een muts. Oma is net maïs aan het poffen. We krijgen ook wat. Het bord waarop de maïs wordt gelegd wordt eerst in een bak met "rioolwater" schoon gemaakt. Geef mijn portie maar aan Fikkie. In het huis lopen ook enkele cavia's rond. Niet voor de kinderen, maar als toekomstig feestmaal aan het spit.

Narcisa, onze gids, verteld veel. Haar Spaans kunnen we tot onze verrassing redelijk volgen. Ze verteld onder andere:

Het levenspeil van de indianen.

De indianen zijn hier erg arm. Ze worden door de regering ook als tweederangs burgers gezien. Elk initiatief om het levenspeil wat te verhogen wordt door de "blanke" elite de kop ingedrukt. Scholing is hier voor de mensen niet te betalen, zodat ze dom blijven. De meeste hebben tien tot 13 kinderen. Gemiddeld sterven hier 3 tot 4 van. Vies water is de grootste boosdoener. Er is geen geld om hout te kopen om het water te koken. Kinderen krijgen buikloop en als er dan ook geen geld is om medicijnen te kopen gaat het kind dood. Helaas is veel kinderen hier nog steeds status, zodat de al arme indianen steeds verder afglijden.

Als we naar een volgend huis lopen begint Narcisa met me te flirten. Ze moet steeds gearmd met me lopen en bij elk wissewasje moet ik haar helpen. Ze wil alleen niet alleen gearmd met me lopen, want daar zou ze als getrouwde vrouw moeilijkheden mee kunnen krijgen. Ien moet aan de andere kant. Erg kuis van d'r, maar volgens mij is heel Otavalo al over d'r heen geweest.

In het volgend huis gaat het er allemaal wat beter aan toe. De mensen kunnen geen kinderen krijgen en plukken daar financieel de vruchten van. Samen met een geadopteerd kindje van drie wonen ze in een vrij groot huis. Ook bezitten ze wat land waar ze maïs op verbouwen. Het hele huis hangt vol met drogende maïskolven. Sommigen zien er niet al te fris meer uit, maar dat is volgens Narcisa geen probleem. Net als de rest van dit dorp zijn ze het grootste deel van de dag bezig met wol. Dit gezin maakt fijnere wol. Dit bereiken ze door het veel meer te wassen.

Op de terugweg naar Otavalo nemen we een paar zwaar bepakte lifters mee. Narcisa slaat er meteen een slaatje uit door ze een aardig tarief door te berekenen.

Aan de andere kant van Otavalo bezoeken we eerst een mandjesmaker. Als we aankomen begint een stokoude man meteen met vlechten. Hij moet al over de tachtig zijn, maar zijn precieze leeftijd weet niemand aangezien dat bij zijn geboorte nog niet werd geregistreerd.

De mandjes worden van in strookjes gesneden bamboe stokjes gemaakt. Het vlechten gaat in een razend tempo. Letterlijk met handen en voeten worden binnen enkele minuten enkele mandjes gefabriceerd. Om het bamboe niet te breken wordt het soepel gehouden met af en toe een flinke rochel.

In het huisje zitten twee oude, verwaarloosde en doofstomme vrouwen brood te bakken op een grote schaal. Ze zijn door het dolle heen en moeten onze hand vast houden. Ik mag ook wat broodkoeken bakken, maar kan ze pas na enige moeite overtuigen dat ik er geen hapje van wil.

Onze laatste stop vanochtend is bij het kerkhof. We treffen het. Elke maandag is het bij de indianen "kerkhofdag". Iedereen gaat dan zijn overleden familieleden opzoeken. Stoeltjes en picknickmand gaan mee. We zien dan sommige bezochte graven al tientallen jaren oud waren. De ijscoman heeft op het overvolle kerkhof een lucratieve broodwinning.

Het kerkhof is in tweeën gesplitst. De ene helft is gereserveerd voor de indianen, de andere voor de Mestiezen. Mestiezen zijn Zuid-Amerikanen met Spaans bloed in de aderen.

De ongeveer drie pastoors hebben het druk bij het zegenen van alle graven. Ook is er net een begrafenis aan de gang. Bij een kruis in het midden van de begraafplaats vindt een katholieke ceremonie plaats. Een moeder van tig kinderen was overleden. Erg triest allemaal, al kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat het luidruchtige geween door een paar professionele "weners" werd veroorzaakt. Na de plechtigheid wordt de kist ten grave gedragen. Er zijn geen paden, dus zoekt iedereen zijn weg over de andere graven. Samen met een grote hoeveelheid eten wordt vervolgens de kist begraven. 's Avonds is er voor de familie een groot feest.

Na deze indrukwekkende ervaring gaan we terug naar Otavalo voor de lunch. Onderweg zien we nog iemand stomdronken omvallen tegen een berg.

's Middags bezoeken we weer een ander dorpje in de nabije omgeving. Ze zijn net druk bezig met irrigatie werkzaamheden. Overal lopen kleine kanaaltjes die via steeds wisselende dammetjes steeds weer andere akkers van water voorzien.

We komen terecht bij een donker klein huisje, waar vier mensen kleden aan het weven zijn. Ze doen gemiddeld 18 uur over een kleed. De dag begint al om drie uur 's nachts voor ze. Met een kaarsje op het weefgetouw weven ze in rap tempo verder aan weer een kleed, waar ze nog geen zes gulden voor vangen. Ze weten wel 140 patronen uit het blote hoofd ! We maken een foto van de jonge wever waar we fijn mee hebben gepraat en beloven deze op te sturen. Hij is zo enthousiast, dat hij zegt al vanaf volgende maand elke dag naar Otavalo te gaan om te kijken of er post voor hem is.

Aangezien het vandaag een of andere feestdag is komt er een voortijdig einde aan de tour. De te bezoeken school is dicht, maar Narcisa matst ons en mogen we morgen terug komen voor dit laatste onderdeel van de toer.

De rest van de dag brengen we door met allerlei kaartspelletjes. We hebben in het hotel nog even contact met twee Amerikanen uit Colombia. Ze wonen in het hete noorden en zijn blij even weg te zijn. Als ze twee grote cola's bestellen blijkt de ober precies te weten wat grote cola's voor Amerikanen betekent en komt terug met twee literflessen.

Na een weer heerlijke pizza liggen we vroeg op bed.

 

Dinsdag 24 Juli - Otavalo naar Baños

Na het voor de eerste keer "snelle" ontbijt en bezoek aan het postkantoor (12 dagen !) staan we weer bij Narcisa op de stoep. Met de taxi rijden we naar een kleuterschool. Er zijn weinig kinderen. Het is bijna vakantie. Al met al een kale bedoeling waar we ons niet op ons gemak voelen. Binnen de kortste keren zitten we weer bij Narcisa thuis. Ze vertelt nog dat er 105 kinderen, verdeeld over drie klassen op de school zitten. De meeste kinderen blijven over. Ook het ontbijt nuttigen ze op school. Veel kinderen gaan ondanks de leerplicht niet naar school. Het kost te veel geld, zeker als ze vanaf hun zesde jaar boeken nodig hebben. Op school moeten ze eerst Spaans leren. Hun eigen taal is Quitchia, niet te verwarren met de bekendere Incataal Quechua.

Als blijkt dat de in het handboek vermelde markt er niet is pakken we de eerste bus richting Quito. Bij de bus doet zich nog een leuke situatie voor. Een oud vrouwtje bedelt om wat geld. De paar aanwezige toeristen geven tot ergernis van enkele Ecuadoranen wat geld. Ze vangt bij elkaar meer dan iemand met een dag hard werken vangt. Als ze bij ons komt zeg ik dat ze al genoeg heeft. Haar borsten puilen werkelijk uit van de biljetten. Met een zielig gezicht probeert ze ons alsnog te overtuigen door een klein muntje uit haar verder lege zak te halen. Als ik wijs op haar met geld gevulde borsten begint ze ook daar te wroeten en meldt met een ondeugend gezicht dat ze daar echt niets kan vinden.

De tocht naar Quito is weer bijzonder mooi. We hebben o.a. een schitterend uitzicht op de vulkaan de Cayambe. In Quito bellen we bij de busterminal naar Nederland. Ze vragen eerst 15.600 sucres. Als we dit na een paar minuten eigenlijk toch te gek vinden annuleren we het gesprek. De prijs zakt dan plotseling naar 11.400 sucres ( ¦ 30,-), nog altijd 2000 sucres meer dan vanuit een gat als Otavalo. Thuis is alles ok.

De bus naar Baños gaat net voor onze neus weg. Aangezien de volgende pas over twee uur gaat pakken we maar de bus naar Ambato, dat in dezelfde richting ligt. Na 1½ uur komen we bij Latacunga aan de voet van de vulkaan Cotopaxi. Weer twee uur later arriveren we in Ambato. Als we overstappen in de bus naar Baños zien we achter een muurtje een bedelaar haar geld tellen. Het lijkt een hele stapel.

Na in totaal 5½ uur bussen (3 bussen voor ¦ 3,75 pp) zijn we in Baños. Het dorp ligt halverwege de Andes en het Amazone oerwoud op ongeveer 1800 meter. Het is hier altijd lekker weer. De ligging aan de voet van de vulkaan Tangurua en tussen groene berghellingen maakt Baños een populair vakantieoord.

We zijn op de luxe toer en nemen het beste hotel van het dorp. Het kost wel een paar tientjes per nacht, maar daarvoor heb je wel twee zwembaden, een bubbelbad, tennis- en squashbanen en bovenal obers die krom lopen van het buigen ter beschikking.

Al snel blijkt dat het alleen maar uiterlijke schijn is. Er gaat hier minstens net zoveel verkeerd is in een derderangs hotelletje: Muffe kamer, klein stukje rauw vlees, lang wachten, te hoge rekening, koude rijst, verkeerde drankjes. Niet echt erg natuurlijk, maar laten ze aub niet zo kakkerig doen. Er zijn veel gasten met kinderen. Het slag mensen ligt me hier niet zo best. De meesten zijn arrogant of zien er in het ieder geval zo uit. Ze zijn hier niet voor het land, maar slechts als tijdverdrijf in afwachting van hun luxe cruise naar de Galapagos.

Net buiten het hotel is een waterval. Bij een fotograaf kun je hiermee, al dan niet gezeten op een hobbelpaard op de foto. Ook kun je hier op straat een pasfoto laten maken.

 

Woensdag 25 Juli - Baños

We slapen lekker uit. Na het ontbijt (drie broodjes !) lopen we wat door het dorp. Er is in ruim zes jaar heel wat veranderd. De winkelstraat is verbreed en veranderd in een soort promenade. Er zijn veel meer toeristen en het aantal winkeltjes dat daar op in speelt ook. Ook herken ik een aantal typische dingen van deze streek. De stalletjes waar ze suikerriet verkopen zijn er nog steeds. Je kunt een zakje kopen, maar ook een fles uitgeperst suikerriet. Erg zoet allemaal. Specialiteit van het dorp is ook nog steeds een toffeeachtige substantie. Aan een soort haak trekken ze eerst grote slierten van het spul, waarna ze er plakjes van snijden en verkopen. De restaurants die cavia's aan het spit verkopen zie je niet meer. Dit komt vast door de bloeiende toeristen industrie, die dit liever niet zien. Op een gezellig pleintje zien we kolibries van bloem naar bloem "zweven".

We klimmen de berg op naar een groot kruis. Onderweg zien we prachtige vlinders en af en toe een bont vogeltje. Ook de vulkaan Tangurua laat even zijn besneeuwde top zien. Boven hebben we een mooi uitzicht over het groene dal. Ien is doodop, zodat we besluiten via de weg terug te gaan in plaats van de steile weg terug. Een misrekening qua afstand. Het is nu wel drie keer zo lang. De weg is echter wonderschoon, zodat we er toch geen spijt van hebben. Overal zien we watervallen om ons heen. Hier aan de achterkant van de berg zien we ook geen mens. De Tangurua laat zich nu ook helemaal zien. Ook komen we orchideeën tegen. Als we bijna beneden zijn komen we bij een mandarijnenplantage. We gaan even naar de plukkers toe en krijgen meteen een hand vol mandarijnen. Helemaal beneden nemen we de bus terug naar Baños. We hebben bij elkaar zo'n vier uur gelopen.

We willen relaxen in één van de warmwaterbronnen, maar deze blijken helaas al gesloten te zijn. Dan maar in het bubbel- en Turkse bad van het hotel. We eten in een gezellig restaurantje in het dorp.

 

Donderdag 26 Juli - Baños

Als we opstaan schijnt de zon aan de blauwe hemel. Ien heeft spierpijn van gisteren. Met de bus gaan we vandaag eerst naar de Agoyan waterval. Een nieuwe stuwdam houdt al het water tegen, zodat er van deze nog in alle reisboeken vermelde waterval niet meer dan een miniem straaltje over is. Op de terugweg stoppen we bij de Zoo. Er zijn alleen dieren van Ecuador te zien. Lama's, tapirs en grote schildpadden lopen vrij rond. Er is bij de hokken van de jaguar en bruine beren geen afscheiding. Kleine kinderen moeten dus maar niet het idee krijgen dat "leuke poesje" even te aaien. Er zijn vooral veel vogels te zien. Allerlei kleurige toecans, ara's en ook de grote condors. Met een bus rijden we terug naar Baños. Pas als we terug zijn hebben we door waarom al die mensen ons zo lachend aankijken. Het is de privébus van een groep dagjesmensen. Weer een kwartje uitgespaard!

We gaan vandaag ook nog even naar het een uur verderop gelegen dorpje Salasaca. Hier wonen indianen die rond 1400 door de Inca's uit Bolivia hier heen zijn gedeporteerd. De vrouwen dragen roze kleding met veel sieraden. Mannen hebben een zwarte poncho en een opvallend witte hoed. We lopen een beetje rond door het dorp en langs de met stekelig vetplanten omgeven akkers. Van hieruit is de Chimborazo, de hoogste berg van Ecuador, goed te zien. Nadat we nog even in een weverij zijn wezen kijken naar de speciale Salasaca kleden, waar wij overigens niets speciaals aan zien, houden we het vandaag voor gezien en geven we ons over aan Turkse en bubbelbaden.

 

Vrijdag 27 Juli - Latacunga

We hoeven pas om 2 uur uit het hotel, zodat we tot die tijd bij het zwembad liggen. De zon schijnt fel en Ien is binnen de kortste keren zo rood als een kreeft. Van de hoteleigenaar krijgen we het aanbod om voor slechts $2000 dollar een jungletocht in de buurt van Mera te maken. He's grazy. Van de wasserij krijgen we spullen terug die niet helemaal droog zijn en dus afgegeven hebben. Na een hoop heen en weer gepraat mogen we op kosten van het hotel een nieuw T-shirt kopen.

Laat in de middag nemen we de bus naar Latacunga. We gaan dus niet naar het oerwoud. De weg naar het Amazonegebied is op sommige plaatsen onbegaanbaar door aardverschuivingen. Bovendien begint de tijd een beetje te dringen.

In Latacunga is het na zonsondergang erg koud. In een gezellig restaurant moeten de truien weer aan. Voor het eerst in dagen eten we weer uit de kunst. Chateau Briand met een Amaretto na. Na het eten spelen we een potje boerenbridge. De obers kijken belangstellend toe en willen de spelregels weten.

 

Zaterdag 28 Juli - Zumbahugua

Het regent als om 4.45 de wekker af loopt. We balen helemaal als om 5:20 de bus naar Zumbahugua van 5:30 al weg blijkt te zijn. Het is nog donker, maar er is al leven op straat. Een drankwinkel probeert achter traliewerk een paar ladderzatte indianen van hun laatste sucres te beroven. Ook zijn er al een paar stalletjes open. Een taxi vindt het te ver zodat we maar naar het hotel terug gaan. Om 6:10 zijn we weer terug. Het is bijzonder druk, maar als de bus aan komt blijk ik nog betere ellebogen dan de Ecuadoranen te hebben en verover twee zitplaatsen. Het is zo druk dat iedereen er niet eens in kan en een uur moet wachten op de volgende. In de bus zitten nog acht gringo's, zoals toeristen hier ook wel worden genoemd. Na een schitterende tocht door de bergen zijn we tot een hoogte van 3500 meter geklommen. Hier ligt Zumbahugua, een plaats met voor mij dierbare herinneringen. Tijdens mijn vorige bezoek hier ben ik met mijn toenmalige reisgenoot Joop naar de Quiltoa vulkaan, een 15 kilometer verderop gereden. Tijdens de wandeling terug kwamen we door een gebied dat ogenschijnlijk nog in de Middeleeuwen leefde. Wat een leuke contacten hebben we toen gelegd.

Het is koud en guur als we in Zumbahugua aankomen. De ijskoude wind zorgt voor zandstormpjes boven de markt. De markt is nog steeds zeer de moeite waard. We zijn dit keer weliswaar niet de enige toeristen. Alles gaat nog steeds als vroeger te werk. Vanuit de dorpen in de omgeving komen de indianen met handelswaar op hun lama naar de markt. Vooral het gebruik van lama's zie je bij meer geciviliseerde markten niet meer. Ook komt er een man in cowboy outfit te paard naar de markt. Op de markt wordt voornamelijk voedsel en kleding verhandeld. In een straatje zitten wel tien kappers naast elkaar.

Als Ien de truck die ons naar de vulkaan moet brengen ziet is haar laatste beetje motivatie meteen verdwenen. De truck zit vol met mensen, die behalve de normale inkopen ook varkens en geiten hebben gekocht. We besluiten maar een stukje in de nabije omgeving van Zumbahugua te wandelen. Jammer.

De "canyon" die ik in 1984 vanuit de verte heb gefotografeerd blijkt van dichtbij niets bijzonders te zijn. Op een stoepje laten we het marktleven aan ons voorbij trekken. Ik zou er dagen naar kunnen kijken. Als we op de bus terug wachten komen twee dronken kerels een dronkemansgesprek met ons aanknopen. Een wilt op de foto. Om er van af te zijn schiet ik een plaatje. Vervolgens wil de eikel meteen de foto hebben. Hij snapt niet dat die niet meteen uit het toestel kan. Voor de vorm laat ik hem zijn adres opschrijven zodat we de foto "op kunnen sturen". Hij is echter analfabeet of te dronken om een pen vast te houden, want verder dan een paar krassen komt hij niet. Nadat ik het vertel de foto naar dat adres zal sturen valt hij samen met zijn vriend languit als een blok in slaap.

We hebben weer mazzel met de bus en bemachtigen de laatste twee zitplaatsen. De weg is zo bochtig dat al snel de door de chauffeur verstrekte kotszakjes tevoorschijn komen.

Als we in Latacunga terug zijn zien we er uit als bootwerkers door al die zandstormpjes. Na een uitgebreide schrobbeurt en vier uurtjes slapen zijn we weer de oude. We eten weer in het gezellige restaurant van gisteren. Waar we de energie vandaan haalden weet ik niet, maar de hele avond hebben we aan een stuk door gezellig gekletst.

 

Zondag 29 Juli - Santo Domingo

We zijn al vroeg uit de veren. Alles is nog dicht, behalve een klein vies tentje waar we het bestelde ontbijt na één hap maar aan de ratten geven. Katten bedoel ik. We willen vandaag naar het laaggelegen Santa Domingo de los Colorados. Eerst dus de bus richting Quito en bij de afslag naar Santo Domingo er uit. In de bus zat een dronken vent met zijn familie. De man wil er niet uit, waarna zijn familie hem maar laat zitten en zonder hem uit stapt.

We hebben mazzel en krijgen een lift van iemand die net een gloednieuwe Suzuki had gekocht. Ien zit voorin en slaakt de ene "oh" na de andere van het waanzinnige uitzicht. Via een soort dichtbegroeide kloof zakken we de Andes af naar de laaglandoerwouden.

Als we bijna beneden zijn blijkt Santa Domingo in een dichte mist gehuld te zijn. Met een taxi gaan we naar hotel Maracay. Ondanks de muffe kamer, door de mist, is het een prima hotel. TV, douche, radio en telefoon op de kamer. De grote tuin zit vol met vogels. Vooral kolibries en fel gele vogels zijn vaak te zien.

Met de bus gaan we 's middags naar Tinalandia. Tinalandia is een stuk privé-terrein zo'n 17 kilometer vanaf Santa Domingo. Aanvankelijk wilden we hier een paar nachten blijven, maar na het horen van de prijs ($36 pp) houden we het maar bij een toegangskaartje van $3,- pp. Tinalandia is bij vogelfreaks over heel de wereld bekend om zijn grote en vooral bonte verzameling vogels. We komen er ook enkelen tegen, die meteen lyrisch worden over de grijs getinte huismus met twee streepjes wit achter de oren.

De omgeving is schitterend met grote oerwoudreuzen in de mist. We lopen de berg op, maar het is nog te vroeg voor "groot wild". Het terrein beslaat ook een groot golfterrein. Aan de rand kun je in de begroeiing o.a. kleurrijke bee-eters zien. Boven op de berg kun je in de junglepad op. Het is er waanzinnig mooi, vooral in de mist. Rond vier uur heeft Ien er genoeg van. Juist nu komen de vogels uit hun schuilplaats. Ik zie Ien nog zitten, balend van het niets zien. Vliegen er ineens twee toecans over haar hoofd. Een blijft in de boom naast ons zitten en gaat op z'n gemak vruchten eten. Als we nog een stukje verder lopen horen we een enorm gekrijs. Als we er op af gaan zien we een tiental papegaaien weg vliegen. Het uur U is nu echt aangebroken. Overal om ons heen vliegen nu Amazonepapegaaien. Door de mist en de afstand kunnen we de kleuren helaas niet goed zien. Even verderop stuiten we op een groep toecans. We weten niet meer waar we moeten kijken. De mist die we eerst nog zo lekker mysterieus vonden begint nu erg hinderlijk te worden. We kunnen haast geen kleuren onderscheiden.

Tegen donker nemen we de bus terug. Ien zit naast een man met groene Amazonepapegaai. Zo kunnen we alsnog zien wat voor een kleuren de vogel heeft. Ien mag hem ook aaien. Als dank scheet hij haar broek onder.

In het hotel komen we twee vogelaars tegen die we in Tinalandia ontmoet hebben. Tijdens het gezamenlijke, overigens uitermate slechte diner, pakt Larry wel twintig maal zijn uit elkaar hangend vogelboek om een of andere vogel te tonen. Hij is bioloog van beroep en begeleid een paar keer per jaar toeristen op de Galapagos.

Na het eten bezoeken we het casino van het hotel. Er lijkt flink gegokt te worden, maar bij navraag heb je al een hele stapel fiches voor een paar cent.

 

Maandag 30 Juli - Santo Domingo

Alhoewel om 7 uur het kamermeisje de bedden al wil verschonen slapen we lekker lang uit. We doen vandaag rustig aan en ontbijten pas om 12 uur. Het hotel zit vol met vroege vogel(aars), zodat ze wel wat vreemd op keken. We moeten lachen als we de bestelde eieren in een kopje gegoten opgediend krijgen. We hebben tot nog toe pas f 50,- pp uitgegeven, terwijl we toch bijzonder luxe leven.

Na de brunch lopen we langs de stoffige weg naar de rivier. Er is niet veel bijzonders te doen, zodat we na even op een rots gezeten te hebben de bus terug nemen naar Santo Domingo. In het dorp kopen we wat broodjes voor vanavond. Alles beter dan die rotzooi van ons hotel. In Santo Domingo is geen Colorado indiaan meer te bekennen. In 1983 zag je ze nog trots door de straten pronken met hun rood geverfde haren en aparte klederdracht.

De avond besteden we aan het noodzakelijke kwaad van het kaartjes schrijven naar familie en kennissen, die je doorgaans alleen maar ziet bij begrafenissen of tegenkomt op nieuwjaarskaarten.

 

Dinsdag 31 Juli - Santo Domingo naar Quito

We staan in het donker op om in alle vroegte het "vogelparadijs" Tinalandia te bezoeken. Bij de receptie hebben we een kleine ruzie. Gisteravond zeiden ze dat zo vroeg een taxi geen probleem was, maar nu weigert de eikel er een te bellen 'omdat ze toch slapen'. Vervolgens laat hij ons gewoon voor lul staan aan de balie. Kortom een goede aanleiding om even te vertellen wat ik van dit 'eerste klas' hotel vindt.

We hebben mazzel en kunnen een bus, die 'niet zou rijden', aanhouden zodat we om 6.25 in Tinalandia zijn. Als we het terrein verkennen hebben we de pech dat de hele tijd een vieze hond met ons mee loopt die de vogels verjaagd. Ik kan het beest wel villen, terwijl Ien hem door te aaien nog aanhankelijker maakt.

Het is helder weer, maar zien toch minder vogels dan verwacht. Op het terrein zien we wel veel papegaaien luid krijsend hoog over vliegen. Ook een grote koekoek en een groene specht weten we te betrappen. Langs de weg boven het terrein kunnen we wel redelijk dichtbij een groep papegaaien komen. Ze lijken op de mooie groene Amazonepapegaai, maar zijn hier grijs gekleurd. Arme Ien, die zo van kleurtjes houdt en alles haat wat grijs is. We lopen ook nog even over een aangelegd natuurpad door de dichte begroeiing, waarna we weer de bus terug nemen naar ons hotel.

Om elf uur nemen we een taxi naar de stad, waar we de bus nemen naar Quito. Tot mijn verbazing komt er plotseling een Colorado indiaan voorbij. Ik gillen naar Ien, die meteen de achtervolging in zet. De indiaan heeft echter zo'n looppas ingezet dat ze hem niet kan achterhalen om hem eens goed te bekijken.

Na een weer fabelachtige busrit van 3½ uur zijn we weer in Quito. We blijven luxe doen en overnachten in het eerste klasse hotel "Los Alpes". Eindelijk een hotel waar de douche het doet!

In ijltempo regelen we onze zakelijke beslommeringen, zoals het bevestigen van de vlucht. De post halen we in etappes op. Het postkantoor wat we thuis opgegeven hebben bestaat niet meer, bij het tweede kantoor zegt een onvriendelijk mens zonder te kijken dat er niets voor ons is, maar bij de derde poging blijken er maar liefs 6 brieven voor ons te liggen! Ien is helemaal door het dolle heen.

Een man die aan de post ziet dat we uit Holland komen spreekt ons aan. Hij wil in Delft gaan studeren. Informatie heeft hij al bij de ambassade ingewonnen, maar nu moeten wij in Nederland een goed woordje voor hem doen. Via hem regelen we ook al vast een prima hotel in de oude stad voor de komende twee dagen.

In Los Alpes serveren de in apepak gestoken obers 's avonds een waanzinnige peppersteak. Na het eten herlezen we bij de open haard de vele post van het thuisfront, dat zoals altijd weer enorm met ons mee leeft.

 

Woensdag 1 Augustus - Quito

Het is vandaag soevenirinkoopdag. We sjouwen de halve stad af en komen met dozen vol breekbare spullen als buit uit de strijd. Ien heeft haar slag geslagen met allerlei kleine souvenirs. Je kan hier vooral veel kleine "frutseltjes" kopen, zoals Zuid-Amerikaanse bussen van brooddeeg en miniatuur stalletjes. In hou het bij een paar wandkleden en een mooie kano. Als alles goed is ingepakt verkassen we naar hotel Cathedral in het oude gedeelte van Quito. Hier komen we ook de man weer tegen die in Delft wil studeren. Hij overhandigt ons zijn papieren, waarna wij beloven onze best te doen voor hem. Later in Nederland hebben we alles door gestuurd naar de TH-Delft en nog wat papieren naar Ecuador gestuurd, maar echter nooit meer iets van deze wel erg serieuze figuur gehoord.

 

Donderdag 2 Augustus - Markt van Saquisili

Vandaag staat de kleurrijke markt van Saquisili op het programma. Om zeven uur zijn we bij de busterminal en kopen een kaartje naar Latacunga, waar we dan over willen stappen. Als we al door het hek zijn blijkt er ook een directe bus naar Saquisili te gaan. Inwisselen van het kaartje kost grote moeite omdat ik niet meer door het hek terug mag naar de hal waar de loketten zijn. Om er te komen moet je zeker een kilometer om de terminal heen lopen. Ik kan hoog en laag springen, maar mag niet meer door het hek terug. Uiteindelijk laten we het eerste kaartje maar voor wat het is en stappen in de Saquisili bus.

Anderhalf uur later zijn we in Saquisili. De markt is op alle acht de pleinen met hun verbindingswegen. Kortom, de markt beslaat heel Saquisili. Hoewel er ook Otavalo indianen zijn met hun voor de toeristen gemaakte kleden is de markt geen toeristenmarkt. Van oude autobanden wordt nog van alles gemaakt, variërend van schoenen tot grote potten. Ook zien we nog onvervalste touwslagers aan het werk. Natuurlijk zijn er ook talloze stalletjes waar de inwendige mens aan zijn trekken kan komen. Ook zien we varkens van eigenaar veranderen. De één neemt de nieuwe schreeuwende aanwinst onder de arm mee, terwijl een ander meer ziet in een hondenriem.

Na 2½ uur genieten loopt de markt op zijn eind en gaan we terug naar Quito. Met een taxi gaan we nog even de berg op met de "Maagd van Quito". Lopen schijnt een riskante onderneming te zijn na recente overvallen op toeristen.

Onze vakantie in Ecuador sluiten we af in de het klasse restaurant Le Bistro, waar je uiterst gezellig prima kunt eten.

 

Vrijdag 3 Augustus - Venezuela

Het kost nogal wat moeite om vroeg bij de luchthaven te komen. Als we eindelijk een taxi hebben gevonden blijkt deze geen (wettelijk verplichte) meter te hebben en vraagt hij een belachelijk hoge prijs. We stappen toch maar in, maar zeggen dat we niet meer dan de helft willen betalen. Bij de luchthaven aangekomen ontspint zich uiteraard een hele discussie over het afgesproken bedrag, maar als ik in de nabijheid van een agent in mijn beste Spaans luidruchtig op de afwezige meter wijs is hij meteen verdwenen.

Alle moeite blijkt echter tevergeefs geweest te zijn want het vliegtuig heeft vier uur vertraging. Gelukkig kunnen we gezellig kaarten en reiservaringen uitwisselen met een leuk Gronings stel. De laatste sucres worden nog even besteed aan twee witte huisjes, waarna we aan het begin van de middag eindelijk richting Caracas gaan.

We komen rond vieren in de stromende regen aan in Caracas. Nadat we de terugvlucht hebben bevestigd en geld hebben gewisseld kopen we een taxi-ticket naar de stad. Dit is ideaal, want zo kunnen de taxichauffeurs je geen poot uitrukken. Onze chauffeur probeert het nog wel. We willen naar de bushalte in Caracas om van daaruit de bus naar Maracay te nemen. De chauffeur probeert ons voor veel geld direct naar Maracay te brengen en verzint de meest afschuwelijke verhalen over de omgeving van de bushalte. Ook probeert hij nog extra geld te vragen voor de bagage. Pas als we een uur later bij de busterminal van het drie miljoen inwoners tellende Caracas uitstappen zijn we van zijn gezeur af. Zonder fooi en met alleen de taxi-ticket druipt hij af.

Het is een drukte van jewelste. Hele rijen staan kris kras over het terrein opgesteld. Vrijdagavond in de spits, wat een chaos is dat. We sluiten ook maar achter aan. Dat schiet niet erg op, want telkens als er een weer zo'n gigantisch grote bus aan komt dringen er weer hele volksstammen voor. Het gekke is dat desondanks de meesten netjes in de rij blijven wachten. De politie moet er tenslotte aan te pas komen om de boel met een paar klappen met de wapenstok weer in het gareel te krijgen. In de vierde bus kunnen we ons met grote moeite naar binnen werken. De rugzakken moeten ook mee naar binnen. Gelukkig zijn staanplaatsen verboden, zodat we kunnen zitten. De mensen maken er een grote troep van. Alles wordt op de grond gegooid, zodat het in de bus en bij de terminal wel een vuilnisbelt lijkt. Ze kijken niet eens waar ze de troep heen gooien. Een vrouw kan nog net wegspringen als er weer een blikje uit een bus wordt gegooid.

Het is inmiddels laat geworden, zodat we in het pikkedonker de twee uur afleggen naar Maracay. Hier aangekomen willen we met de taxi naar ons hotel. We schrikken ons rot als alle taxi's 30 gulden vragen voor de rit van nog geen 5 kilometer. De bus kostte net twee gulden! Een hoop gescheld levert niets op, zodat we na 20 minuten toch maar besluiten de taxi te nemen. In de taxi beschimpen we de "criminele" taxichauffeurs van Venezuela. Als we bij het hotel aankomen duw ik met een kwaaie kop de man 30 gulden in zijn hand. Pech lijkt ons te achtervolgen, want het hotel blijkt vol te zitten en is er geen alternatief in de directe omgeving. Het wordt Ien nu te veel en ze barst in tranen uit. Plotseling wordt ik op mijn schouder getikt. Het is de taxichauffeur, die zegt de tip wel erg veel te vinden. Het blijkt dat ze in Venezuela een iets andere Spaanse uitspraak hebben dan in Ecuador, waardoor seitenta (60) erg veel op seis cientos (600) lijkt. Kortom, de taxi kostte geen dertig, maar drie gulden. We stappen dus meteen weer in de taxi van deze nu ineens door ons zeer gewaardeerde chauffeur en laten ons aan de andere kant van Maracay afzetten bij het Pipo hotel. We hebben geluk, want er is nog maar één kamer vrij.

Ien beschrijft het hotel als volgt: "Van buiten leek het Hilton wel. Van binnen ook. Waanzinnig. Voor ca. ¦ 60,- met z'n tweeën hebben we het nog nooit zo sjiek gehad. Grote kamer met schoenpoets, naaisetje, scheermesjes, shampoo en lekkere zeepjes. In de douche met ligbad liggen naast de zes handdoeken zelfs badmutsen. Verder beschikken we oven een kleurentelevisie met videokanaal, radio en telefoon. Zelfs op het toilet is er één te vinden. Een droom dus na alle ellende."

De rest van het hotel is ook klasse. Zo hebben ze een groot zwembad, bar, kapper, sauna, disco en meer van die dingen om de rijke Venezolanen te lokken. In de bar vol peperdure hoeren 'van stand' nemen we een amaretto met cola, waarna we rond elven naar boven gaan om te slapen. Op de deur hangen we een kaartje om aan te geven dat we morgen ontbijt op bed willen!

 

Zaterdag 4 Augustus - Maracay

Om 9 uur worden we gewekt door een bediende in apepak die ons een uitgebreid ontbijt komt bezorgen. Toast met eieren, jam en jus d'orange. Vanuit de kamer kijken we uit over dicht begroeide bergen. Liefje wat wil je nog meer.

In Maracay woont familie van Carmen. Ze moeten van onze komst afweten. We hebben drie weken terug een brief gestuurd en ook Carmen heeft geschreven. Als we bellen blijkt dit echter niet het geval te zijn. Ze denken dat Carmen zelf in Maracay is en dat ik Bob ben. Ondanks dit onverwachte telefoontje stappen ze meteen in de auto om ons op te halen.

Beneden in de lobby wachten we al kaarten op wat komen zal. Bij iedereen die binnenkomt vragen we ons af of dat Carmen's familie is. We hebben geen flauw idee wie het zijn en zij blijkbaar ook niet, want we zitten zeker vijf minuten tegenover elkaar eer we door hebben wie wie is.

We laten de spullen op de kamer en gaan met moeder Celia en dochter Sandra naar hun met veel traliewerk beveiligde flat. Ze spreken gelukkig een beetje Engels zodat we redelijk kunnen communiceren. Sandra is 24 jaar oud, maar met haar lengte van nog geen 1.50 en drukke gepraat lijkt ze net 16. Als vader Oscar uit zijn werk komt zie je hem denken "Wie zijn dat nu weer?". Hij verneemt onze plannen om wat van Venezuela te zien en denkt volop met ons mee. Hij zal via relaties uitzoeken of we naar het eiland Margaritha, de Angel watervallen, de Orinoco jungle of het strand van Chichirivitchi kunnen. In het begin is hij een en al zakelijkheid, maar als we belangstelling tonen voor zijn aquarellen is het ijs gebroken.

Oscar is directeur/eigenaar van een of ander bedrijf. Hij wil het verkopen en terug naar Colombia, maar de verkoop vlot niet zo. Zodoende zit hij al een paar jaar in deze "tijdelijke" flat terwijl hij een kast van een huis in Pereira, Colombia, heeft.

De gastvrije familie besluit dit weekend hun huisje in een Nationaal park weer eens op te zoeken. Meteen worden alle spullen tevoorschijn getoverd en gaan we op weg. We moeten alleen eerst nog even onze spullen uit het hotel halen, waar we ondanks een telefonische toezegging alsnog een halve dag moeten betalen. Als Oscar zijn auto volgooit met maar liefs 80 liter benzine hoeft hij maar ¦ 10,- af te rekenen. Venezuela houdt als olie exporterend land dus beter rekening met zijn bevolking dan het gasrijke Nederland.

Het huis staat in het John Petier NP aan een rivier. We komen in het donker aan. Een huisbewaarder, die de sleutel blijkt te hebben, is stappen in het dorpje Ocumare zodat we er niet in kunnen. Oscar en Sandra gaan naar hem op zoek. Wij blijven met de erg aardige Celia in het pikkedonker achter en doen ons te goed aan een fles wijn. De twee honden, Caramello en Sabrine, zijn steeds even uit het zicht. Celia roept ze de hele tijd. Haar roep om "Ca-raaaa-mel-looo" en "Sa-briiii-naaaa" zullen we dit weekend nog ettelijke keren horen.

Als Oscar en Sandra met de sleutel terug zijn kunnen we het behoorlijk vervallen huis in. De muren zijn behangen met kranten en de est ziet er ook niet best onderhouden uit. De huisbewaarder beheert het beddengoed en gas omdat het anders gestolen zou worden. Na een kopje koffie gaan we naar bed.

 

Zondag 5 Augustus - Maracay

Het huis hebben ze gekocht van mensen die bang waren dat er een grote oerwoudreus op zou vallen. Deze boom heeft inderdaad een groot gat in de stam. Volgens Oscar van een rotsblok dat met een of andere lawine naar beneden is gekomen. Kappen mag niet in het Nationale park, zodat de boom nu met dikke kabels op zijn plaats wordt gehouden. In de tuin staan cacao, avocado, papaja en grapefruit bomen. In het afdakje zitten grote gaten van vruchten die uit de oerwoudreus vallen. Aangezien het huis aan de weg naar de kust ligt en het vandaag zondag ("stranddag") is zien we verder geen dieren. Als het minder druk is moeten hier ook apen zijn. Wel zien we bij het riviertje grote blauw fluorescerende vlinders.

Met de auto gaan we het strand en de omgeving verkennen. Het eerste strandje geeft vanaf enige hoogte een schitterend uitzicht. Er liggen vissersboten in de baai. Fregatvogels cirkelen in grote aantallen rond. Ze komen zo dichtbij dat je ze haast aan kunt raken. De dorre begroeiing met onder andere cactussen doet vreemd aan als je net uit de jungle komt.

Het tweede strand van Cata naderen we vanuit de bergen. De baai is schitterend gelegen tussen het groene berglandschap. Voordat de twee onooglijke flatgebouwen van 20 hoog werden gebouwd moet dit één van de mooiste plekjes van de Carribean zijn geweest. We gaan hier even op het strand liggen tussen de palmen. Een enorme leguaan doet alsof het strand niet vol is met mensen en ligt rustig te zonnen op een overhellende stam van een palm. Er komt een riviertje uit op het strand. Als je het een stukje op loopt ben je meteen in de dichte begroeiing. Als we terug zijn bij ons huisje neem ik een duik in het riviertje. Met mijn duikbril zie ik allerlei kat- en gestreepte vissen. Ik hoor ook nog een paar papegaaien luid krijsend over vliegen. Ien zag dat het groene Amazonepapegaaien waren.

Tegen de avond gaan we weer terug naar Maracay. In de blubber lopen we onderweg nog even een "jungletocht". Oscar had er niet echt veel trek in zodat we na 10 minuten al weer terug naar de auto gingen. We kwamen er wel een paar vogelaars tegen die ook niet bijster veel gezien hadden. Ik had me veel van deze tocht voorgesteld, Oscar had tenslotte apen gegarandeerd, zodat ik flink de pest in had.

In een restaurant langs de weg eten we cachapa. Dit is een soort zoete pannenkoek. Ik vind het heerlijk, maar Ien kan het niet echt waarderen.

In Maracay hebben we een gezellige avond. Oscar laat foto's zien van Colombia en uitstapjes naar de Orinoco, Margaritha en de Angel watervallen. De Angel watervallen zijn met hun hoogte van bijna 1 kilometer veruit het hoogst van de wereld. We discussiëren een hoop over onze route en besluiten als het even kan naar de Angel watervallen te gaan. Oscar zal het morgen regelen.

 

Maandag 6 Augustus - Chichirivichi

Als we opstaan zijn Oscar en Sandra al naar het werk. We hangen een beetje in het huis in afwachting van Oscars telefoontje. Hij belt een paar keer om de stand van zaken door te geven, maar bij het middageten horen we definitief dat alle vluchten naar de Angel Falls vol zijn. We besluiten derhalve meteen naar Chichirivichi te gaan. Oscar regelt in zijn goedheid alles een beetje te goed. Zodoende zitten we met een door hem geregeld kaartje ruim drie uur op de bushalte te wachten op een bus richting Chichirivichi. Later blijkt dat we beter eerst de frequente bus naar Valencia hadden kunnen nemen om daar op de directe bus naar Chichirivichi te stappen.

De tijd doden we met het zoeken van Zuid-Amerikaanse snoepjes voor Carmen en een paar potjes boerenbridge. Ik daag ook nog even een stalhouder uit voor een potje schaak.

Om half zes vertrekt de bus met maar vijf passagiers. Als we een uur later bij de eerste stop Valencia aankomen lijken we wel in de efteling verzeild geraakt te zijn. De busterminal ziet er uit als een sprookjeskasteel.

Het is nog 2½ uur naar de afslag Chichirivichi. Van daaruit is het nog ruim 20 kilometer. Navraag leert dat er geen bussen meer die kant op gaan. Daar staan we dan op een verlaten afslag, waar maar eens in de zoveel tijd een auto langs komt. We hebben geluk. Een auto met laadbak stopt en kunnen we helemaal meerijden naar Chichirivichi.

Oscar heeft een kamer voor ons gereserveerd in hotel Mario. We hadden ons er heel wat van voor gesteld. De prijs is twee keer zo veel als we betaalden voor hotel Pipo, maar het kan in de verste verten niet tippen aan dit hotel.

 

Dinsdag 7 Augustus - Chichirivichi

We zijn dus in Chichirivichi. Dit plaatsje met zijn mooie naam ligt in het noorden van Venezuela aan de Carribische kust. Het is een bekend vakantieoord voor Venezolanen en Italianen, die hier in grote aantallen wonen. Voor de kust van Chichirivichi liggen een aantal tropische eilandjes en iets zuidelijker is een groot natuurreservaat van mangrovenbossen vol vogels.

We hebben voor vandaag bij een Ruud Gullit achtige figuur bij de receptie een toer geboekt. Eerst varen we naar een dicht begroeid mangrovenbos, waar we door een paar kanaaltjes varen. Erg leuk. We zien hier ook veel vogels zoals de fel oranje ibis, witte reigers, pelikanen, fregatvogels en aalscholvers. Via een hoge rotskust, waar we nog even een "grot" bezoeken, varen we naar het eerste eilandje (cayo in het Spaans). Dit eiland bestaat uit alleen maar zand. Het bijzondere is de vele blauwschakeringen in het water rondom dit eiland. Bij het tweede eiland, cayo Pezaza, gaan we een uurtje aan land. We leggen onze spullen onder een palm en gaan meteen snorkelen in het ondiepe water. Ien heeft er geen spijt van dat ze vanochtend nog even een duikbril heeft gekocht. Ook zij ziet nu de kleurige vissen.

Het laatste eiland dat we aandoen is cayo Sol. Het is wat groter dan de rest, maar spreekt minder tot de verbeelding dan cayo Pezaza. Het is een stuk drukker vanwege het aanwezige restaurantje.

Om vier uur worden we weer opgehaald en varen terug naar het dorp. We varen langs nog wat eilandje en kunnen aan de grote aantallen toeristen zien dat het vakantie is in Venezuela.

Het eetbuffet is prima verzorgt. Een fles wijn gaat maar voor de helft op. Daar doen ze hier niet moeilijk over. Ze schrijven er gewoon je naam op, zodat je morgen de rest op kunt drinken. Na een Cuba libre zijn we helemaal in de stemming.

 

Woensdag 8 Augustus - Chichirivichi

Vandaag varen we over een ruwe zee naar het een half uur verderop gelegen cayo Sombrero. De boot zit vol met Italianen in vakantiestemming. Een ouwe bok met een jong "hoertje" is hinderlijk populair aan het doen. Cayo Sombrero, zo genoemd omdat het de vorm van een Sombrero (hoed) heeft, is vrij groot vergeleken met de andere eilanden. De kern wordt beheerst door een stinkend sodameer, waar een paar snipachtigen en een grote reiger proberen wat eten bij elkaar te scharrelen.

Op het witte strand zoeken we de schaduw van een kokospalm op. Net buiten het strandje is het prima snorkelen. De zee is rustig doordat het koraalrif de golven breekt. Bij een paar brokken oud koraal wemelt het van de tropische vissen. Het is gelukkig vrij ondiep, zodat Ien aan het handje ook helemaal uit haar bol kan gaan. Naast de kleine, veelal bont gekleurde vissen zien we ook waterprikken (dunne vissen, die loodrecht in het water "hangen") en een morene. Absoluut hoogtepunt waren de grote fluorescerende baarsachtigen. Ik schiet mijn onderwatercamera helemaal vol. Als we na de tweede duikexpeditie van een uur bij onze spullen terug komen blijkt er een kokosnoot uit de boom gevallen te zijn. Precies op de plaats waar we even tevoren nog lagen te zonnen. Als je zo'n ding op je hoofd krijgt ben je morsdood. Met een machette maken we hem open. De Italianen doen er ijs en rum in. Lekker, maar de verse kokos zelf laten we ons nog het beste smaken.

Over de hoge golven varen we terug naar Chichirivichi, waar we helemaal doorweekt aankomen.

 

Donderdag 9 Augustus - Terug naar Maracay

We zijn alweer vroeg op voor onze derde toer, die ons over een riviertje zal brengen dwars door de jungle vol kaaimannen en apen. Het blijkt een deceptie te worden door de uitermate slechte organisatie. Eerst blijkt er geen vervoer geregeld te zijn, zodat we ruim een uur te laat vertrekken. Vervolgens moeten we ruim een uur rijden ipv een kwartiertje om er te komen. Als bovendien de booteigenaar ter plekke van niets weet, geen boot voor zes personen heeft en ook nog geld wil zien hebben de Italianen er geen zin meer in. Ze moeten bovendien op tijd terug zijn omdat ze vandaag nog naar het vliegveld moeten. Erg jammer dus. Vooral omdat het ons een waanzinnige tocht leek. Bij de boot zagen we bijvoorbeeld al een paar groene spechten en knalgele spreeuwen. De rivier zag er ook uit als een typisch smerig kaaimannenriviertje.

Op de terugweg zagen we net voor Chichirivichi zoutmeren die oranje zagen van de ibissen. Ook nemen we twee groepen flamingo's waar.

Om half twee laten we ons bij een kruising afzetten, waar we bijna 1½ uur wachten op de "½-uurse" bus naar Valencia. Het is een mooie rit langs de kust. In Valencia moeten we overstappen. Wat een belachelijke busterminal. Aan de ene kant wordt je uit de bus gezet. Dan moet je helemaal naar de andere kant om een entreekaart van 1 cent te kopen. Vervolgens weer een paar honderd meter lopen om het terrein op te komen. Het kaartje voor de bus moet je ook ergens bij een ver weggestopt loket kopen.

Om 6 uur zijn we weer terug bij de familie Jaramillo. In een krant lezen we dat het flink rotzooit in het Midden-Oosten. Celia heeft ons al aan zien komen en wacht ons beneden op.

We hebben de familie voor vanavond uitgenodigd in een sjiek restaurant. Als we er aankomen wordt de auto weggezet door de portier. Binnen is er levende muziek. Als de twee gitaristen aan tafel komen, mogen we een paar verzoeken doen. Oscar, Celia en Sandra zijn op hun best gekleed. Ze zijn er echt even helemaal uit en vinden het ook heel erg gezellig. De schok komt als we af moeten rekenen. We hebben allemaal flink doorgegeten, biefstuk met meloen en ham vooraf, en een grote fles wijn aan laten rukken. Het kostte ons de lieve som van ¦ 80,-. Wat moeten we nu weer met al die ingeslagen Bolivars doen ?

Na het eten maken we nog een rondje door Maracay. We maken nog een paar foto's van een verlicht restaurant dat aan de Spaanse tijd doet denken. Ook laten ze ons het superluxe hotel zien waar ze meer dan een jaar hebben gewoond.

 

Vrijdag 10 Augustus - Naar huis

We slapen lekker uit. Oscar heeft voor 12 uur een taxi geregeld naar het vliegveld. Sandra en Oscar komen nog even uit hun werk om ons uit te zwaaien. Erg aardig. Het gekke is alleen dat als we wegrijden ze meer aandacht hebben voor een passerende buurman dan voor ons. We zwaaien dus maar naar hun ruggen.

Twee uur later zijn we bij het vliegveld. We moeten wel negen instanties door. Eerst een kaart halen om tax te mogen betalen, vervolgens deze betalen, dan bagage inchecken, zelf inchecken, controle van het taxstempel (inclusief invullen 2e formulier) , handbagagecontrole, pascontrole, nogmaals handbagagecontrole en tenslotte afgeven van het taxformulier. Bij elke instantie stond een lange wachtrij. Op twee van de vele formulieren vul ik in bij beroep 'mierenneuker' en 'burocraat'. Mijn geboorteland is 'Bananenrepubliek'. Nadat we onze nog rijkelijk aanwezige verzameling Bolivars er doorheen hebben gejaagd stappen we zomaar op tijd in het vliegtuig. We mogen er echter meteen weer uit. In verband met Amerikaanse troepenverplaatsingen naar het Midden-Oosten is er voor onbepaalde tijd geen vliegverkeer over de Atlantische Oceaan mogelijk. We zien dat een vlucht naar Miami al meer dat 30 uur vertraging heeft en vrezen het ergste. Gelukkig mogen we twee uur later weer het vliegtuig in en kunnen we voor even 'Ciao' zeggen tegen het continent Zuid-Amerika, waar we van zijn gaan houden.

Thuis staat de familie ons met bloemen op te wachten. Altijd weer prettig als er zo met je wordt meegeleefd.